Bicepspeesrupturen

Onderzoek
C.J.H.M. van Laarhoven
Chr. van der Werken
Citeer dit artikel als: Ned Tijdschr Geneeskd. 1990;134:1048-50
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Bicepspeesrupturen ontstaan doorgaans ‘spontaan’ ten gevolge van degeneratie en vrijwel altijd in de proximale pees van het caput longum. De ervaringen bij 13 patiënten met een ruptuur van de lange bicepspees worden beschreven. Tien patiënten werden operatief behandeld. De resultaten van een eenvoudige peestranspositie zijn uitstekend, mits rupturen niet te lang (6 weken) bestaan. Bij rupturen van de lange bicepspees is de indicatie tot operatieve behandeling relatief.

Inleiding

Inleiding

Naast de bekende achillespeesruptuur en de hamervinger door avulsie van de strekpees komen ‘spontane’ rupturen voor in vrijwel alle pezen in het menselijk lichaam, zo ook in die van de musculus biceps brachii.1 De bicepspeesruptuur ontstaat vrijwel altijd in het caput longum, terwijl het slechts in 3 van de gevallen de distale pees betreft. Wij beschrijven hier onze ervaringen bij 13 patiënten met een ruptuur van de lange bicepspees die wij vanaf 1984 zagen.

Anatomie

De musculus biceps brachii, letterlijk de 2-koppige spier, verloopt ventraal in de bovenarm. Het caput longum vindt zijn origo in het tuberculum supraglenoidale scapulae, loopt als pees door het schoudergewricht in de sulcus intertubercularis humeri en insereert samen met het caput breve, dat verloopt vanaf het processus coracoideus, als de gemeenschappelijke distale pees aan de tuberositas radii en de aponeurosis bicipitis, welke eindigt in de flexorenfascie van de onderarm. De belangrijkste functie van de musculus biceps brachii zijn flexie van de elleboog en supinatie van de onderarm bij gebogen arm. Bovendien draagt het caput longum enigszins bij aan de abductie, en geeft door aanspanning van de spier via het caput breve lichte anteflexie in het schoudergewricht.

Pathofysiologie

Rupturen van het caput longum ontstaan gewoonlijk min of meer spontaan, meestal bij mannen ouder dan 50 jaar.1 Ten grondslag ligt een degeneratief proces, dat bij pathologisch-anatomisch onderzoek in alle gevallen wordt vastgesteld, een proces dat ongetwijfeld zal samenhangen met het bijzondere anatomische verloop van deze zeer lange pees, die een hypermobiel gewricht overspant, en in de subacromiale ruimte en in zijn nauwe sulcus al snel in de knel kan geraken met druknecrose tot gevolg. Andere oorzaken zijn microtraumata en onoordeelkundig gebruik van corticosteroïdinjecties ter plaatse.

In tegenstelling tot eerdere veronderstellingen blijkt de bloedvoorziening van deze pees in aanleg meer dan voldoende te zijn.2 Distale peesrupturen, die vrijwel uitsluitend worden gezien bij jongere patiënten, zijn echt traumatisch en ontstaan ten gevolge van grof inwerkend geweld, bijvoorbeeld door een slag of stoot ter plaatse.

Symptomen

Het klinisch beeld van de caput longumruptuur kan zich uiten in een hoorbare knap en gaat gepaard met pijn, in de schouderregio of hoog in de bovenarm, die snel afneemt. Er is altijd verlies aan buigkracht met als meest opvallende bevinding een sterk prominerende spierbuik bij aanspannen, die distaal in de bovenarm gelokaliseerd is (figuur).

Behandeling

De indicatie tot operatieve behandeling van de caput longum-ruptuur is relatief omdat, ook zonder operatief ingrijpen, op den duur als belangrijkste klachten slechts enig krachtverlies en soms milde pijn overblijft.34 Anatomisch herstel is onmogelijk omdat de peesuiteinden zich al snel te ver hebben teruggetrokken en omdat de proximale stomp niet eenvoudig bereikt kan worden. Wij geven bij relatief ‘jeugdige’ en actieve patiënten de voorkeur aan operatieve behandeling in de vorm van een simpele peestranspositie waarbij de losliggende peesstomp wordt gefixeerd aan het ernaastliggende peesblad van het caput breve of aan de processus coracoideus. Deze worden bereikt via een lengte-incisie hoog aan de voorzijde van de bovenarm in het verloop van de sulcus deltopectoralis, ook bekend als de fossa van Mohrenheim. Gebruikt wordt gemaakt van resorbeerbaar hechtmateriaal. Als nabehandeling wordt een mitella gegeven.

PatiËnten en methoden

Vanaf 1984 zagen wij 13 patiënten met evenzovele caput longum-rupturen; 10, 9 mannen en 1 vrouw gemiddeld 58 (uitersten 41; 69) jaar, werden geopereerd. Bij 3 patiënten werd afgezien van operatie vanwege hoge leeftijd en (of) reeds langer bestaan van de ruptuur. Negen operatief behandelde patiënten werden gezien voor na-onderzoek gemiddeld 29 maanden na operatie. Er werd daarbij gevraagd naar pijn, krachtverlies en hervatting van dagelijkse bezigheden en eventuele sportieve activiteiten en naar het subjectieve oordeel van de patiënt. Tevens werden spierkracht en beweeglijkheid van gewrichten beoordeeld en werd gelet op een abnormale spierbuik.

Resultaten

Van de 9 onderzochte patiënten waren 7 volledig genezen. Zij hadden geen enkele klacht, kenden geen beperkingen en bij onderzoek was er een symmetrische spierkracht en beweeglijkheid. Bij de 2 overige patiënten was het resultaat teleurstellend ten gevolge van persisterend krachtverlies, terwijl één patiënt tevens pijnklachten vermeldde. Het waren de enige patiënten die laattij dig en wel na 3 maanden respectievelijk 2 jaar werden geopereerd, blijkbaar op een moment waarop onherstelbare verlittekening en spieratrofie waren ontstaan.

Van de 3 patiënten die niet werden geopereerd waren er 2 ouder dan 70 jaar, zij konden niet worden achterhaald. Bij de derde patiënt bestond de ruptuur al langer dan 2 jaar; hij had slechts milde klachten van pijn bij aanspannen van de bovenarmspieren met nauwelijks storend, maar aanzienlijk krachtverlies bij buiging van de elleboog. Hij stemde graag in met ons voorstel om deze situatie te accepteren.

Beschouwing

De indicatie tot chirurgisch herstel van rupturen van de lange bicepspees is relatief en moet worden gesteld afhankelijk van de leeftijd, activiteiten en verwachtingen van de patiënt.45 Na een betrekkelijk kleine chirurgische ingreep, in ons geval een eenvoudige peestranspositie, is het functionele herstel optimaal op voorwaarde dat een dergelijke operatie niet te laattijdig, dat wil zeggen binnen 6 weken na het ontstaan van de ruptuur wordt verricht. Indien operatieve behandeling uitblijft, resteert op termijn met zekerheid enig krachtverlies dat gepaard kan gaan met overigens milde pijnklachten.

Literatuur

  1. Waugh RL, Hathcock TA, Elliott JL. Ruptures of muscles andtendons: with particular reference to rupture (or elongation of long tendon)of biceps brachii with report of fifty cases. Surgery 1949; 25:370.

  2. Korn S, Schunke M. Das Blutgefassystem der langenBizepssehne. Unfallchirurg 1989; 92: 43-7.

  3. Mueller W, Schwarzkopf W, Thuemler P. Diagnostik undTherapie der Bizepssehnenrupturen. Aktuel Traumatol 1977; 7: 49-55.

  4. Mariani EM, Cofield RH, Askew LJ, Li GP, Chao EY. Ruptureof the tendon of the long head of the biceps brachii. Surgical versusnonsurgical treatment. Clin Orthop 1988; 228: 233-9.

  5. Aldinger G, Wust J. Operative Behandlung derBizepssehnenrupturen. Aktuel Traumatol 1979; 9: 159-64.

Auteursinformatie

St. Elisabeth Ziekenhuis, afd. Chirurgie, Hilvarenbeekseweg 60, 5000 LC Tilburg.

C.J.H.M.van Laarhoven, assistent-geneeskundige; dr.Chr.van der Werken, chirurg.

Contact dr.Chr.van der Werken

Reacties