Behandeling van coccygodynie
Open

In het kort
08-07-1991
J. Bender

Coccygodynie is een niet begrepen aandoening, waarvoor lokale factoren (toestand na trauma, afwijkende stand van het os coccygis), ‘referred pain’ (vanuit een discusprolaps in de buurt), doch ook neurose als oorzaken worden aangenomen.

Wray et al. onderzochten 50 patiënten.1 Alle patiënten kregen na te zijn onderzocht eerst fysiotherapie: dagelijks UKG-therapie gedurende 2 weken, gevolgd door diathermie gedurende nog eens 2 weken. Wanneer dit niet hielp, werd een mengsel van een corticosteroïd en een lokaal anaestheticum rond de punt en naast de zijkanten van het os coccygis gespoten; zo nodig werd deze behandeling na een maand herhaald. Indien de coccygodynie dan nog bleef bestaan, vond manipulatie onder narcose plaats: met de patiënt in zijligging werd door een rectaal toucher gedurende één minuut het stuitbeentje afwisselend ventraal- en dorsaalwaarts bewogen. In onmiddellijke aansluiting daaraan werd weer de hiervoor beschreven injectietherapie toegepast. Bij onverminderde klachten na 6 weken vond extirpatie van het os occygis plaats. De fysiotherapie bleek van weinig nut: slechts 8 patiënten raakten hun klachten kwijt. Van de overigen genazen er 16 met injecties en bij 20 van de overgebleven 26 patiënten was manipulatie plus injectie succesvol. Er kon geen enkele invloed worden waargenomen van de uitkomsten van het aanvullend onderzoek op deze resultaten: röntgenonderzoek en scintigrafie zijn zonder waarde; bij computertomografie bleek, dat ongeveer de helft uitpuilende disci had – overigens zonder lage rugklachten of ischialgie. Bij psychologisch onderzoek werden slechts 3 patiënten met een persoonlijkheidsstoornis gevonden; bij 2 van hen kwam het uiteindelijk tot een coccygectomie, die bij één wel en bij één geen gunstig resultaat had. Het onderzoek werd gerandomiseerd voortgezet totdat in totaal 120 patiënten waren behandeld, 101 vrouwen en 19 mannen. Vergeleken werden de succespercentages van de injectietherapie en de manipulatie plus injectie. Deze waren 60 respectievelijk 85. De recidiefpercentages bedroegen 21 respectievelijk 28; recidieven traden meestal binnen één jaar op. De eerder bij dezelfde patiënt toegepaste behandeling werd dan herhaald, vrijwel steeds met blijvend succes. In totaal moest bij 23 patiënten een extirpatie van het stuitbeentje plaatsvinden; slechts bij 2 van hen bleven klachten bestaan. De schrijvers, die getroffen werden door de dankbaarheid van deze patiënten dat de klachten volkomen ernstig werden genomen, komen tot de volgende aanbevelingen. Coccygodynie kan het beste in de spreekkamer worden behandeld met lokale omspuiting van het stuitbeentje met een mengsel van een corticosteroïd en een lokaal anaestheticum. Wanneer bij dezelfde patiënt een tweede, identieke behandeling nodig wordt geacht, doch daarmee geen blijvend succes wordt bereikt, dient manipulatie plus injectie-therapie plaats te vinden. De laatste mogelijkheid blijft extirpatie van het os coccygis.

Helaas werd niet onderzocht, of de manipulatie niet ook bij een lokale verdoving zou kunnen gebeuren in plaats van onder narcose (ref.). Dat zou aanmerkelijk goedkoper zijn en de (dag)opnamen beperken tot ongeveer 20 van de patiënten met een coccygodynie, die er niet in slagen aan de coccygectomie te ontkomen.

Literatuur

  1. Wray CC, Easom S, Hoskinson J. Coccydynia, aetiology andtreatment. J Bone Joint Surg 1991; 73-B, 2: 335-8.