Azoolresistente invasieve aspergillose
Open

Klinische les
08-12-2009
Jan W. van der Linden, Adilia Warris, Jos W. van der Meer, Dorine Bresters, Willem J. Melchers en Paul E. Verweij

Dames en Heren,

Aspergillus fumigatus is een saprofytaire schimmel die algemeen in de natuur voorkomt, maar die zijn niche vindt in met name organisch afval zoals compost. We ademen lucht in waarin de sporen (conidia) zich bevinden, en daarbij kunnen de sporen tot diep in de alveoli van de long terechtkomen. Bij gezonde mensen worden deze sporen opgeruimd door de alveolaire macrofagen, maar bij de immuungecompromitteerde gastheer kan Aspergillus een breed scala aan ziektebeelden veroorzaken. Invasieve aspergillose is een ernstige schimmelinfectie die dan ook primair voorkomt bij patiënten met verminderde weerstand, zoals patiënten die behandeld worden voor hematologische maligniteiten.

Bij de behandeling van Aspergillus-ziekten worden azolen in toenemende mate gebruikt. Daarbij gebruiken we itraconazol veelal bij niet-invasieve aandoeningen, zoals een aspergilloom, is voriconazol eerste keus voor invasieve aspergillose en is posaconazol effectief als profylactische behandeling bij hoogrisicopatiënten.

Recent ontdekten wij dat stammen van klinische A.fumigatus ongevoelig kunnen worden voor deze azolen, wat aanleiding kan zijn voor therapiefalen bij de betreffende patiënt.1-4 Naast alle andere belangrijke factoren die geassocieerd zijn met therapiefalen, zoals bijvoorbeeld het voortbestaan van de verminderde gastheerweerstand, lijkt resistentie een nieuwe factor te zijn waarmee u vandaag de dag rekening dient te houden. In deze les illustreren wij de gevolgen van azoolresistentie voor de diagnose en behandeling van invasieve aspergillose met de volgende casussen.

Patiënt A, een 31-jarige man, zagen wij bij zijn reguliere controle op de polikliniek Algemeen Interne Geneeskunde. Hij was sinds 30 jaar bekend wegens een aangeboren stoornis van de fagocytenfunctie, namelijk chronisch granulomateuze ziekte. Zijn zeer uitgebreide voorgeschiedenis vermeldde, naast recidiverende pneumonieën, lymfadenitiden en granulomateuze infiltraties van maag, lever, milt en blaas, een pulmonale aspergillose met doorgroei in pleura en thoraxwand op 6-jarige leeftijd, waarvoor hij een lobectomie onderging, en een pulmonale aspergillose op 8-jarige leeftijd, waarvoor hij werd behandeld met amfotericine B. Sindsdien ontving de patiënt profylaxe met itraconazol. Daarnaast leed hij aan een zeer ernstige COPD (stadium IV volgens het ‘Global initiative for obstructive lung disease’ (GOLD)) en had hij een allergische bronchopulmonale aspergillose ontwikkeld. Naast itraconazol werd hij profylactisch behandeld met co-trimoxazol, interferon gamma, prednison, amantadine en diverse bronchodilatoire middelen.

Tijdens het polikliniekbezoek klaagde patiënt over progressieve, stekende pijn in de linker schouder en linker flank, vastzittend aan de ademhaling. Hij had geen koorts en gaf geen sputum op, maar was wel benauwd, met name in de ochtend. Bij lichamelijk onderzoek zagen wij een niet-zieke man, met een saturatie van 92% en bij auscultatie van de thorax beiderzijds een ongestoord vesiculair ademgeruis, met links basaal crepitaties. De concentratie C-reactieve proteïne was 99 mg/l en het leukocytengetal 12,1 x 109/l. Een röntgenfoto en CT-scan van de thorax toonden een infiltratieve afwijking in de linker onderkwab (figuur 1a en 1b), waaruit wij, middels een punctie onder echogeleiding, materiaal verkregen.

Het grampreparaat van het punctaat toonde geen micro-organismen, maar de kweek van het punctaat bleek positief voor Aspergillus, waarna we de diagnose ‘invasieve pulmonale aspergillose’ konden stellen. Omdat de patiënt reeds lange tijd itraconazolprofylaxe gebruikte, besloten we niet met voriconazol te behandelen, maar met intraveneus caspofungine in standaard dosering. We identificeerden de schimmel als A. fumigatus. In-vitro-gevoeligheidsbepaling toonde verminderde gevoeligheid voor itraconazol, voriconazol en posaconazol (minimale remmende concentraties (MIC’s) respectievelijk: >16, 8 en 0,5 mg/l). De stam toonde een normale gevoeligheid voor amfotericine B (MIC: 0,5 mg/l) en caspofungine (minimale effectieve concentratie (MEC): 0,125 mg/l).

Na 2,5 week behandeling namen de pijnklachten af, trad klinisch herstel op en was hij weer adl-onafhankelijk. Vervolg van de longafwijking met CT-scan en röntgenfoto van de thorax toonde 3 maanden na het optreden van de eerste klachten duidelijke verbetering en we ontsloegen de patiënt. We besloten verder te behandelen met posaconazol gedurende 1 jaar, waarna patiënt overging op itraconazolprofylaxe.

Patiënt B, een 13-jarige jongen met een voorloper-B-cel-acute-lymfoblastenleukemie, die behandeld werd met chemotherapie volgens het zogenaamde EURO-LB02 protocol, zagen wij op de polikliniek kinderoncologie met klachten van koorts, hoesten, anorexie en algehele malaise. Er was al die tijd sprake geweest van een goede respons op de chemotherapie.

Bij lichamelijk onderzoek zagen we een ziek kind, zonder focus voor de koorts. Een röntgenfoto van de thorax toonde geen afwijkingen. Aanvullend laboratoriumonderzoek toonde een diepe beenmergaplasie. Hij werd opgenomen en we startten empirische behandeling met vancomycine en ceftazidim. Omdat de koorts persisteerde, maakten we na 4 dagen opnieuw een röntgenfoto van de thorax. Hierop zagen we een lobair infiltraat en voegden azithromycine toe aan het behandelschema.

In verband met persisterende koorts werd 5 dagen na opname een CT-scan van de thorax gepland. De nacht daaraan voorafgaand werd patiënt echter met een status epilepticus aangetroffen in bed en werd hij wegens respiratoire insufficiëntie overgeplaatst naar de IC. Een met spoed vervaardigde CT-scan van het cerebrum toonde 8 hypodense laesies. Op de CT-scan van de thorax zagen we multipele noduli en diffuse consolidaties. Materiaal verkregen middels een CT-geleide longbiopsie liet geen micro-organismen zien in de directe microscopie, maar de kweek bleek positief voor A. fumigatus. Eveneens werd galactomannan, een celwandbestanddeel van Aspergillus, in het serum aangetoond. Hierop behandelden we patiënt met voriconazol intraveneus. Directe microscopie en een kweek van de liquor waren negatief.

Wegens persisteren van de koorts werd na 5 dagen caspofungine toegevoegd, maar herhaalde CT-scans van het cerebrum toonde progressie van de laesies met abcesvorming (figuur 2). Omdat ons centrum deelnam aan een Nationale surveillance studie voor azoolresistentie in Nederland, werd de uit de longbiopsie gekweekte stam geënt op een agarplaat waaraan 4 mg/l itraconazol was toegevoegd. De schimmel groeide op dit medium, waarop we besloten de voriconazol te vervangen door liposomaal amfotericine B naast de caspofungine.

Na 3 weken stelden we middels CT-onderzoek van het cerebrum een duidelijke progressie van de cerebrale abcessen vast, met een infauste prognose. Besloten werd de behandeling te stoppen, waarna de patiënt overleed. Een autopsie werd niet verricht.4

Beschouwing

Epidemiologie van resistentie

Verworven resistentie van A. fumigatus tegen azolen is tot op heden sporadisch beschreven en vrijwel uitsluitend bij patiënten met een aspergilloom tijdens behandeling. Echter, recentelijk werd in Nederland azoolresistentie gerapporteerd bij patiënten met invasieve aspergillose.2,4 Onderzoek van de Nijmeegse collectie van 1912 klinische A. fumigatus-stammen en 147 klinische A. fumigatus-stammen uit 28 andere ziekenhuizen in Nederland, die tussen 1994 en 2007 verzameld werden, toonde aan dat resistentie voor het eerst in 1998 is ontstaan en dat in de jaren daarna elk jaar een toenemende prevalentie wordt waargenomen. Zo werd in dit onderzoek bij 6% van de patiënten uit 2007 een azoolresistente stam gekweekt.5

Bij een daaropvolgende prospectieve surveillancestudie werden tussen mei 2007 en januari 2009 alle klinische A. fumigatus-stammen die in de Nederlandse Universitair Medische Centra gekweekt werden, onderzocht op itraconazolresistentie. In deze studie werd een prevalentie van resistentie van 4,5% gevonden. In alle centra werd resistentie gevonden, en de prevalentie van resistentie per centrum varieerde van 0,7-7,1%. Daarmee lijkt azoolresistentie algemeen voor te komen in Nederland.6 De verspreiding van resistentie buiten Nederland is nog grotendeels onbekend, maar recent is door onze onderzoeksgroep een internationale surveillance-onderzoek opgezet met 28 deelnemende centra in 23 landen wereldwijd.

Oorzaken van resistentieontwikkeling

Belangrijke vraag is hoe resistentie ontstaat. Zoals aangegeven, kan resistentie ontstaan in patiënten die behandeld worden met azolen.1,7 Echter, wij hebben eerder patiënten beschreven met azoolresistente invasieve aspergillose, zonder bekende eerdere blootstelling aan azolen.2 Dit zou kunnen betekenen dat er andere mechanismen zijn waardoor resistentie tot uiting kan komen in Aspergillus.

Azoolresistentie bij A. fumigatus ontstaat door mutaties in het Cyp51A-gen, dat het aangrijpingspunt is voor de azolen. Normaliter verstoren de azolen de aanmaak van ergosterol, een belangrijk bestanddeel van de celmembraan van de schimmel, maar door de mutatie is dat werkingsmechanisme onschadelijk gemaakt. In stammen van patiënten zijn verschillende mutaties beschreven in het Cyp51A-gen.8,9 Het bijzondere van de Nederlandse stammen is dat we bij 94% van de isolaten hetzelfde resistentiemechanisme vonden, namelijk een substitutie van leucine door histidine in het Cyp51A-gen bij codon 98, en een ‘tandem repeat’ van 34 basenparen in de promotorregio van dit gen (samen afgekort als: TR/L98H).

De sterke dominantie van eenzelfde resistentiemechanisme in stammen gekweekt bij epidemiologisch onverwante patiënten, is niet te verklaren door resistentieontwikkeling door azoolbehandeling. Immers, invasieve aspergillose is een niet-besmettelijke infectieziekte, dus een resistente stam verspreidt zich niet van mens tot mens. Veel waarschijnlijker is dat resistentieontwikkeling plaatsvindt in onze omgeving. Azolen worden tevens gebruikt in de landbouw om plantenziekten door schimmels te voorkomen, maar ook voor preservatie van materialen zoals matrassen en kleding. Omdat A. fumigatus zijn ecologische niche heeft in aarde en compost, kan, door blootstelling aan azoolfungiciden in de omgeving, kruisresistentie ontstaan tegen de azolen die gebruikt worden in de geneeskunde. Recent hebben we aangetoond dat A. fumigatus-stammen, die ongevoelig zijn voor de medische azolen, aanwezig zijn in onze omgeving, waarbij hetzelfde resistentiemechanisme werd aangetoond als aangetroffen in de klinische stammen.10

Hoewel beide door ons beschreven patiënten behandeld zijn geweest met azolen, wijzen de genetische veranderingen in de gekweekte A. fumigatus-stammen erop dat ze die hebben verkregen vanuit de omgeving (tabel 1). De pathogenese zou kunnen zijn dat patiënten azoolgevoelige en azoolresistente sporen inademen. Door de selectieve druk van de azoolbehandeling, kunnen alleen de resistente sporen ontkiemen en een invasieve infectie veroorzaken.

Consequenties van resistentie

De resistente stammen kenmerken zich door volledige resistentie voor itraconazol en verminderde of afwezige gevoeligheid voor voriconazol en posaconazol (figuur 3). Resistentie compliceert de behandeling van invasieve aspergillose, omdat het aantonen van resistentie tijd kost en patiënten mogelijk inadequaat behandeld worden in afwachting van de uitslag van de gevoeligheidsbepaling. Daarbij komt dat bij de meerderheid van de patiënten de kweek negatief is en dat microbiologische laboratoria routinematig geen in- vitro-gevoeligheidsbepalingen verrichten bij klinisch geïsoleerde Aspergillus-stammen. Verder zijn er nog geen breekpunten vastgesteld, op basis waarvan geconcludeerd kan worden of een stam gevoelig of resistent is. Om pragmatische redenen hebben we daarom, op basis van onze inzichten en ervaringen, recent een concept voor de breekpunten voorgesteld (tabel 2).11

Een ander probleem is dat het aantal alternatieve middelen met evidence-based effectiviteit bij invasieve aspergillose beperkt is, en dat buiten de azolen er geen alternatieven beschikbaar zijn die oraal kunnen worden toegediend. Bij patiënten met aangetoonde azoolresistente aspergillose zou het advies moeten zijn te behandelen met middelen met een ander aangrijpingspunt, zoals lipide formuleringen van amfotericine B of caspofungine.

Ondanks het voorkomen van azoolresistentie, blijft voriconazol de eerste keus voor de behandeling van invasieve aspergillose (zie hiervoor de richtlijn van de Stichting Werkgroep Antibiotica Beleid).12 Wel is het van belang dat behandelaars op de hoogte zijn van deze nieuwe ontwikkeling en azoolresistentie meenemen als mogelijke oorzaak voor therapiefalen. Verder is het van belang dat laboratoria in-vitro-gevoeligheidsbepalingen verrichten, tenminste op Aspergillus-stammen die gekweekt worden bij patiënten die falen op azoolbehandeling. Schimmels kunnen ook worden opgestuurd naar de afdeling Medische Microbiologie van het UMC St. Radboud voor in-vitro-gevoeligheidsbepalingen. Tevens zijn consulenten van dit centrum beschikbaar voor behandelingsadviezen.

Vanzelfsprekend dient er nog veel onderzoek plaats te vinden, waarbij voorop staan het identificeren van risicofactoren bij de patiënt, het ontwikkelen van snelle diagnostische methoden voor het vaststellen van resistentie, het vaststellen van breekpunten, en onderzoek naar de optimale behandeling van patiënten met azoolresistente aspergillose. Naast bepaling van de effectiviteit van amfotericine B en echinocandinen (caspofungine, micafungine en anidulafungine), dient er tevens bepaald te worden of er nog een plaats is voor azoolpreparaten. Een ander belangrijk aandachtspunt is de oorzaak van de resistentieontwikkeling, waarbij de mogelijkheid van resistentieontwikkeling in de omgeving onderzocht dient te worden.

Dames en Heren, we staan aan de vooravond van een nieuw tijdperk in de diagnose en behandeling van invasieve aspergillose, waarin er sprake is van een toenemende prevalentie van azoolresistentie, tezamen met een sterke dominantie van eenzelfde resistentiemechanisme, mogelijk verworven door blootstelling van de schimmel aan azolen in de omgeving. Naast het belang van tijdige onderkenning van Aspergillus-infecties, dient men nu ook rekening te houden met azoolresistentie. In het bijzonder bij patiënten met progressie van de Aspergillus-infectie tijdens azoolbehandeling, bij patiënten die recent zijn behandeld met azolen of bij patiënten met persisterende positieve kweken tijdens azoolbehandeling, dient resistentie als oorzaak overwogen te worden. In-vitro-gevoeligheidsbepaling van klinisch relevante isolaten wordt aanbevolen, om beslissingen bij de antifungale behandeling of verandering ervan te ondersteunen.

Leerpunten

  • In Nederland is azoolresistentie van de schimmel Aspergillus fumigatus ontstaan vanaf 2000, en komt nu algemeen voor bij klinische stammen met een prevalentie van 4,5%.

  • Resistentie kan ontstaan in een patiënt die behandeld wordt met een azool, maar mogelijk ook in het milieu door het gebruik van azoolfungiciden.

  • Azoolresistentie is meestal gerelateerd aan veranderingen in het Cyp51A-gen, het aangrijpingspunt voor de azolen bij A. fumigatus.

  • Azoolresistente A. fumigatus-stammen zijn doorgaands ongevoelig voor itraconazol en verminderd gevoelig voor voriconazol en posaconazol.

  • Als bij een patiënt met een invasieve aspergillose tijdens azoolbehandeling A. fumigatus gekweekt wordt, dient de gevoeligheid van de stam voor de azolen bepaald te worden.

  • Patiënten die een infectie hebben met een azoolresistente stam, kunnen falen op azoolbehandeling en kunnen beter behandeld worden met een lipide formulering van amfotericine B of caspofungine.

Literatuur

  1. Warris A, Weemaes CM, Verweij PE. Multidrug resistance in Aspergillus fumigatus. N Engl J Med. 2002;347:2173-4.

  2. Verweij PE, Mellado E, Melchers WJ. Multiple-triazole-resistant aspergillosis. N Engl J Med. 2007;356:1481-3.

  3. Leer-Buter C van, Takes RP, Hebeda KM, Melchers WJ, Verweij PE. Aspergillosis - and a misleading sensitivity result. Lancet. 2007;370:102.

  4. Linden JWM van der, Jansen RR, Bresters D, Visser C, Geerlins S, Kuijper EJ, Melchers WJG, Verweij PE. Azole resistant central nervous system aspergillosis. Clin Infect Dis. 2009;48:1111-3.

  5. Snelders E, Lee HA van der, Kuijpers J, Rijs AJ, Varga J, Samson RA, et al. Emergence of azole resistance in Aspergillus fumigatus and spread of a single resistance mechanism. PLoS Med. 2008;5:e219

  6. Linden JWM van der, Snelders E, Debets Y, Kampinga GA, Kuijper EJ, Mattsson E, et al. Prospective study of the prevalence of azole resistance in Aspergillus species in the Netherlands. ICAAC/IDSA 46th Annual Meeting; abstract [M-1718].

  7. Dannaoui E, Borel E, Monier MF, Piens MA, Picot S, Persat F. Acquired itraconazole resistance in Aspergillus fumigatus. J Antimicrob Chemother. 2001;47:333-40.

  8. Garcia-Effron G, Dilger A, cazar-Fuoli L, Park S, Mellado E, Perlin DS. Rapid detection of triazole antifungal resistance in Aspergillus fumigatus. J Clin Microbiol. 2008;46:1200-6.

  9. Mellado E, Garcia-Effron G, cazar-Fuoli L, Melchers WJ, Verweij PE, Cuenca-Estrella M, et al. A new Aspergillus fumigatus resistance mechanism conferring in vitro cross-resistance to azole antifungals involves a combination of cyp51A alterations. Antimicrob Agents Chemother. 2007;51:1897-904.

  10. Snelders E, Huis in ‘t Veld RAG, Rijs AJJM, Kema GHJ, Melchers WJG, Verweij PE. Possible environmental origin for resistance of Aspergillus fumigatus to medical triazoles. Appl Environ Microbiol. 2009;75:4053-7.

  11. Verweij PE, Howard SJ, Melchers WJG, Denning DW. Azole resistance in Aspergillus: proposed nomenclature and breakpoints. Drug Resist Update 2009 (ter perse).

  12. Stichting Werkgroep Antibioticabeleid (SWAB). Optimaliseren van het antibioticabeleid in Nederland XII. SWAB-richtlijnen voor de behandeling van invasieve schimmelinfecties. Amsterdam: SWAB; 2008. http://www.swab.nl/swab/cms3.nsf/uploads/8E1093C19DED1F11C1257594004211FE/$FILE/Richtl%20schimmelinfec..pdf