Autismespectrumstoornissen bij volwassenen

Klinische praktijk
C.C. Kan
J.K. Buitelaar
R.J. van der Gaag
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152:1365-9
Abstract
Download PDF

Samenvatting

- Het door Kanner gedefinieerde concept ‘vroegkinderlijke autisme’ is uitgebreid tot een spectrum van autismestoornissen.

- Met de aandacht voor de stoornis van Asperger en de pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anders omschreven (PDD-NOS), is de vraag naar gerichte diagnostiek van autisme ook bij volwassenen toegenomen.

- Gedurende de ontwikkelingsgang tot volwassene verandert de expressie van de stoornissen in de wederkerige sociale interacties, de communicatie, de verbeelding en het repetitieve, stereotiepe denken en handelen.

- Ook in de volwassenenpsychiatrie moet heteroanamnestische ontwikkelingsgerichte diagnostiek plaatsvinden.

- Autismespectrumstoornissen bij volwassenen kunnen lijken op andere psychiatrische stoornissen of daardoor overschaduwd worden.

- Voor adequate diagnostiek wordt toepassing van gestructureerde interviews, zoals de ‘Autism diagnostic observation schedule’ (ADOS), de ‘Autism diagnostic interview-revised’ (ADI-R) of de ‘Diagnostic interview for social and communication disorders’ (DISCO) aanbevolen.

Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152:1365-9

Zie ook het artikel op bl. 1353.

Autismespectrumstoornissen, ook wel genaamd pervasieve ontwikkelingsstoornissen, zijn neuropsychiatrische stoornissen die in de kindertijd tot uiting komen en diep doordringend (pervasief) in de ontwikkeling persisteren in de volwassenheid. Pas recent is er aandacht voor de diagnostiek en de behandeling van autismespectrumstoornissen in de volwassenenpsychiatrie. Herbeoordeling van volwassen patiënten bij wie vroeger een autismespectrumstoornis werd gediagnosticeerd, is geïndiceerd als er twijfel bestaat over de validiteit van de gestelde diagnose of als dit vereist wordt voor zorgvoorzieningen.

Bij de meeste volwassenen die aangemeld worden, is de aandoening niet eerder gediagnosticeerd vanwege minder prominente autistische symptomen, bovengemiddelde intelligentie en/of een goed gestructureerd steunsysteem. Wij kunnen bij hen de volgende groepen onderscheiden: (a) jongvolwassenen die psychosociaal vastlopen als zij zich losmaken van het stamgezin; zij ervaren dan problemen op het gebied van zelfstandig wonen, studie, werk en sociale relaties met leeftijdsgenoten; (b) volwassenen met partnerrelatie- of arbeidsproblemen; de partner of een andere betrokkene initieert dan veelal de diagnostiek; (c) ouders van kinderen met een autismespectrumstoornis die autistische symptomen bij zichzelf of hun partner herkennen; en (d) patiënten bij wie een hulpverlener een autismespectrumstoornis vermoedt. Diagnostiek bij deze doelgroep vereist specifieke expertise, omdat het fenotype van een autismespectrumstoornis bij volwassenen verschilt van dat bij kinderen en adolescenten.

van vroegkinderlijk autisme naar autismespectrum

Het vroegkinderlijke autisme, beschreven door Kanner in 1943, was het uitgangspunt in de kinderpsychiatrie totdat Wing in 1981 autisme als een ontwikkelingsstoornis benaderde.1 2 Naar aanleiding van een grootschalig epidemiologisch onderzoek onder mentaal en lichamelijk gehandicapte kinderen herintroduceerde zij het syndroom van Asperger en plaatste zij autisme in een breder diagnostisch continuüm.3 Zij definieerde de autismespectrumstoornissen als een trias van stoornissen in de ontwikkeling van: (a) sociale wederkerige interactie, (b) de verbale en non-verbale communicatie en verbeelding en (c) een beperkt patroon van interesses en activiteiten met een repetitief en stereotiep karakter. Doordat kenmerken uit deze trias in verschillende mate aanwezig kunnen zijn, konden verschillen in expressie in families en in het ontwikkelingsbeloop verklaard worden.4 5

De autismespectrumhypothese is het leidende model voor de klinische praktijk en de trias van Wing vormt de basis voor de beschrijving van de pervasieve ontwikkelingsstoornissen in de DSM-IV-TR.6 Sinds de stoornis van Asperger en de pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anders omschreven (PDD-NOS)7 in de DSM-IV zijn opgenomen, is de prevalentie van autismespectrumstoornissen sterk toegenomen, tot 0,6-1,16 in recente epidemiologische bevolkingsonderzoeken.8 9 Enkele jaren geleden wijdde Van Berckelaer-Onnes in dit tijdschrift een overzichtsartikel aan autisme in het algemeen.10

longitudinale ontwikkeling van het autistische fenotype

Longitudinale onderzoeken laten zien dat de kernsymptomen van autisme in de aanloop naar de volwassenheid verminderen.11-14 De communicatie verbetert het sterkst, gevolgd door de wederkerige sociale interacties. Vooral fysiek terugtrekken uit sociale situaties neemt af. De repetitieve en stereotiepe interesses en activiteiten blijken het persistentst; bizarre preoccupaties en complexe maniërismen komen wel minder voor. Slechts 10-25 van de volwassenen met een autismespectrumstoornis blijkt in staat tot zelfstandig of begeleid zelfstandig wonen, tot het volgen van een opleiding, het verrichten van regulier werk of het opbouwen van een sociaal netwerk. Een IQ-score > 70 en een ongestoorde vroege taalontwikkeling verbeteren de ontwikkelingsprognose.

gericht psychiatrisch en neuropsychologisch onderzoek

Een autismespectrumstoornis is een klinische diagnose die op gedragsniveau gesteld wordt, omdat een gouden standaard voor de diagnostiek ontbreekt. Gericht psychiatrisch onderzoek naar autismespectrumstoornissen bij volwassenen vraagt om een gedegen en zorgvuldige klinische beoordeling, aangezien de autistische kenmerken doorgaans subtieler zijn dan bij kinderen en adolescenten. Ook kunnen ze door een gemiddelde of bovengemiddelde intelligentie gecompenseerd worden of overschaduwd worden door comorbide psychiatrische stoornissen. Daarom moet men tijdens het psychiatrisch onderzoek goed doorvragen en zorgvuldig observeren om de kwaliteit van de communicatie, de wederkerigheid van het contact en het verbeeldingsvermogen te beoordelen.

Omdat patiënten met een autismespectrumstoornis zich vaak minder bewust zijn van hun beperkingen dan hun naasten, vormen de hetero- en ontwikkelingsanamnese belangrijke onderdelen van het onderzoek. De ontwikkelingsanamnese wordt bij voorkeur bij de ouders afgenomen, maar dit is niet altijd meer mogelijk als zij een tanende gezondheid hebben of zijn overleden.

In de klinische les elders in dit tijdschrift beschrijven Hengeveld et al. met enkele casusvoorbeelden de manifestatie van autismespectrumstoornissen bij volwassenen.15

De validiteit van diverse psychologische en neuropsychologische tests is niet van dien aard dat een diagnose in het autismespectrum erdoor bevestigd of verworpen kan worden, maar wel lijkt het mogelijk om er kenmerkende cognitieve stijlkenmerken van autisme – die bekend staan onder de noemers ‘theory of mind’, ‘centrale coherentie’ en ‘executieve functies’ – kwalitatief mee te objectiveren.16 17 Theory of mind is het vermogen om gevoelens en gedachten van andere mensen aan te voelen en te begrijpen.18 19 Centrale coherentie is gedefinieerd als de natuurlijke neiging om binnenkomende informatie globaal en in de context te verwerken; informatie wordt samengevoegd om er op een hoger niveau betekenis aan te kunnen verlenen.20 21 Executieve functies, zoals planning en mentale flexibiliteit, zijn probleemoplossende cognitieve vermogens in situaties waarin men niet terug kan vallen op routinematig gedrag.22 Hoewel verder onderzoek nodig is om na te gaan in hoeverre afwijkende resultaten van deze psychologische en neuropsychologische tests specifiek zijn voor autismespectrumstoornissen, kan men er er wel een kwalitatief functioneringsprofiel uit opmaken dat handvatten biedt voor het opstellen van een op de persoon toegesneden behandel- en begeleidingsplan.

comorbiditeit bij volwassenen met autisme

Naar de mate van vóórkomen van comorbide stoornissen bij volwassenen met autismespectrumstoornissen is nog nauwelijks epidemiologisch onderzoek verricht, zodat hierover nog geen stellige uitspraken mogelijk zijn. Op basis van onderzoeken die grotendeels bij kinderen hebben plaatsgevonden, kan men aangeven dat mentale retardatie, epilepsie, aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD) en stemmingsstoornissen zeer vaak vóórkomen bij patiënten met autisme, namelijk bij meer dan 50,23 gevolgd door de stoornis van Gilles de la Tourette, tubereuze sclerose en het fragiele-X-syndroom (2-20), en obsessieve-compulsieve stoornissen, eetstoornissen en psychotische stoornissen.24 25 Ook afhankelijkheid van middelen wordt in de praktijk veel waargenomen.

differentiële diagnostiek

Autistische kenmerken kunnen lijken op symptomen van de volgende psychiatrische stoornissen (tabel).

Sociale angststoornis

Autistisch terugtrekgedrag kan opgevat worden als vermijding van sociaal contact uit angst voor kritische beoordeling door anderen. Bij autisme is echter niet angst, maar sociaal onvermogen de oorzaak van het gebrek aan sociale interactie. Irrationele sociale cognities staan niet op de voorgrond, zoals bij de sociale angststoornis, omdat het hiervoor vereiste verbeeldingsvermogen te beperkt is. Mensen met autisme gedragen zich sociaal juist onhandig of beschamend, zonder dat zij dit aanvankelijk zelf in de gaten hebben; zij zijn verrast door afkeurende reacties. Secundair kan hieruit wel sociale angst ontstaan.26

Depressieve stoornis met vitale kenmerken

Het passieve en contactvermijdende gedrag van autistische patiënten kan verward worden met vitaal depressieve kenmerken zoals apathie, anhedonie, concentratiegebrek en initiatiefloosheid. Bij een depressieve stoornis ontbreken deze symptomen echter in de voorgeschiedenis, terwijl ze bij autisme al vanaf de kindertijd aanwezig zijn. Verder ontbreken depressieve symptomen zoals een sombere stemming, interesseverlies, insufficiëntiegevoelens, verminderde eetlust, gewichtsverlies, slaapstoornissen en suïcidaliteit bij autisme, tenzij er een comorbide depressie aanwezig is.

Obsessieve-compulsieve stoornis

De rigide en stereotiepe denkbeelden (preoccupaties), routines en rituelen bij autisme kunnen lijken op de dwanggedachten en -handelingen van een obsessieve-compulsieve stoornis, waarbij dwanggedachten angstgevoelens oproepen die vervolgens geneutraliseerd worden door dwanghandelingen. Dergelijke dwanggedachten en -handelingen worden subjectief als negatief ervaren.27 Autistische preoccupaties geven de betrokkene daarentegen vaak rust. Autistische routines en rituelen zijn concreter en bevredigend en bieden bescherming tegen externe overprikkeling.

Schizofrenie

Het gebrek aan initiatief, het terugtrekgedrag en de autistische beperkingen in het non-verbale gedrag kunnen lijken op de negatieve symptomen van schizofrenie, dat wil zeggen affectvervlakking, gedachte- of spraakarmoede en apathie.28 De verbale en motorische stereotypieën (motorische handelingen of verbale uitingen die vaak in dezelfde vorm herhaald worden), idiosyncratische preoccupaties en communicatieve misinterpretaties kunnen lijken op onsamenhangende spraak en chaotisch gedrag passend bij schizofrenie. Bij schizofrenie wordt meestal echter een ‘knik’ in de ontwikkeling gezien tijdens de puberteits- of adolescentiefase, terwijl de ontwikkeling bij autisme reeds vanaf de vroege kinderleeftijd gestoord is.

Aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD)

Hyperactiviteit als uiting van overmatige opwinding en stress door een te prikkelrijke sociale omgeving wordt bij kinderen met een autismespectrumstoornis vaak aangezien voor ADHD.29 Zowel bij autisme als bij ADHD zijn er aandachtsproblemen en stoornissen in de executieve functies, maar deze zijn verschillend van aard. Bij autisme is er een beperkt vermogen om de aandacht te verschuiven en te spreiden, bij ADHD kan men zich moeilijk langdurig concentreren en is het erg moeilijk om niet te reageren op afleidende prikkels. De executieve disfuncties betreffen bij autisme vooral de mentale flexibiliteit (schakelvaardigheid) en het organiseren (anticiperen en prioriteren), versus bij ADHD het inhiberen van impulsen. Het gedrag van volwassenen met een autismespectrumstoornis is routinematig en voorspelbaar, maar kan in reactie op externe overprikkeling wel impulsief overkomen. Volwassenen met ADHD hebben een goed verbeeldingsvermogen en gaan wederkerige relaties aan. Hoewel de DSM-IV niet de mogelijkheid biedt om ADHD als comorbide diagnose te stellen naast een pervasieve ontwikkelingsstoornis, worden er in de praktijk regelmatig mengbeelden aangetroffen.29

Mentale retardatie

Circa 50 van de mensen met een autismespectrumstoornis heeft een verstandelijke beperking en omgekeerd heeft 20 van de mensen met een verstandelijke beperking een autismespectrumstoornis.30 31 Bij een autismespectrumstoornis is er een specifieker (disharmonisch) cognitief tekort dan bij mentale retardatie, waarbij een algemeen laag intelligentieprofiel wordt gevonden; vooral het symbolische verbeeldingsvermogen is nog beperkter dan bij mentale retardatie.32 Patiënten met een verstandelijke beperking in het algemeen missen de geïsoleerde talenten van autistische mensen, maar zijn in staat tot meer sociaal-emotionele wederkerigheid. Comorbiditeit van mentale retardatie en autisme komt, zoals gezegd, geregeld voor en vergroot de handicap.

Persoonlijkheidsstoornissen

Volgens de DSM-IV is een persoonlijkheidsstoornis een duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen die duidelijk afwijken van de culturele verwachtingen. Omdat men dit patroon slechts terug hoeft te kunnen voeren naar de adolescentie of de vroege volwassenheid, is er in de volwassenenpsychiatrie doorgaans geen nadere aandacht voor de ontwikkeling in de kindertijd. Bij autisme vormt dit juist de kern van de diagnostiek. Door dit perspectiefverschil voldoen veel personen met een autismespectrumstoornis aan de criteria van in het bijzonder schizoïde, schizotypische, narcistische, ontwijkende, afhankelijke en obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornissen. Voor dit probleem biedt de medische literatuur nog geen uitkomst. Voor de praktijk is echter van belang dat door diagnosticering van een persoonlijkheidsstoornis in plaats van een autismespectrumstoornis structurele autistische beperkingen niet onderkend worden. Daardoor kan men de zelfredzaamheid van en de therapeutische mogelijkheden bij autistische patiënten overschatten. Verder is een belangrijke overweging dat er ook bij mensen met autisme bijkomende stoornissen kunnen zijn opgetreden in de persoonlijkheidsontwikkeling, zodat ook in dit opzicht comorbiditeit mogelijk is.

Psychopathie

Vooral in de forensische psychiatrie is het van belang om autisme te onderscheiden van psychopathie (gekenmerkt door chronisch antisociaal gedrag waarbij geregeld inbreuk wordt gepleegd op de rechten van anderen). Bij personen met psychopathie zijn er geen beperkingen in wederkerige sociale relaties, communicatie en verbeeldingsvermogen; met deze vaardigheden kunnen zij anderen manipuleren en exploiteren. Personen met een autismespectrumstoornis kunnen echter ook anderen schaden; zij kunnen zich niet in hen verplaatsen en hebben geen besef van de negatieve effecten van hun handelen. De mate van psychopathie kan geobjectiveerd worden met de ‘Psychopathy checklist-revised’ (PCL-R).33

aanbevolen diagnostische instrumenten voor autisme bij volwassenen

De toename van het fundamentele wetenschappelijke onderzoek gericht op de genetische dan wel neurobiologische basis van autisme heeft nog niet geleid tot biologische diagnostische markers voor deze aandoening.34 35 In de volwassenenpsychiatrie bestaat er bovendien geen diagnostische traditie gericht op autisme. Met de vraag naar diagnostiek bij volwassenen groeit de behoefte aan systematische instrumenten om het diagnostische proces te faciliteren.

Een eerste diagnostische stap kan de afname zijn van de zelfbeantwoordingsvragenlijst ‘Autism quotient’ (AQ), een veelgebruikt screeningsinstrument waarmee bij volwassenen een vermoeden van een autismespectrumstoornis aangegeven kan worden, namelijk bij een score hoger dan 32 punten.36 De kwaliteit van de klinische diagnostiek die hierop dient te volgen, kan sterk verbeteren als men kiest voor toepassing van gestructureerde diagnostische interviews, waarvoor voorafgaande training vereist is. Met module 4 van de ‘Autism diagnostic observation schedule’ (ADOS), waarvan recent een Nederlandse versie is uitgekomen, kunnen de observaties voor het psychiatrisch onderzoek bij volwassenen op systematische wijze verricht worden.37 De ‘Autism diagnostic interview-revised’ (ADI-R) en de ‘Diagnostic interview for social and communication disorders’ (DISCO-11) zijn uitgebreide gestructureerde ontwikkelingsinterviews die men bij de ouders van de patiënt kan afnemen; deze zijn reeds in het Nederlands beschikbaar. Wetenschappelijke onderzoeken hebben voldoende evidentie opgeleverd voor de validiteit en de betrouwbaarheid van de ADI-R en DISCO-11, maar slechts in beperkte mate wat betreft volwassenen.38-41 De ADI-R fungeert desalniettemin, ook bij volwassenen, in wetenschappelijke onderzoeken meestal als gouden standaard voor de diagnose ‘autistische stoornis conform de DSM-IV-TR’. Aangezien de ADI-R of DISCO tijdrovende interviews zijn, wordt er in de praktijk ook regelmatig gekozen voor alternatieve instrumenten om de ontwikkelingsanamnese af te nemen, bijvoorbeeld de ‘Rimland E2 questionnaire’ en de niet officieel gepubliceerde vragenlijst van het Autisme-team Gelderland voor diagnostisch onderzoek naar pervasieve stoornissen.

Het Consortium Autismespectrumstoornissen bij Volwassenen (CASS18+), een netwerk van hulpverleners voor volwassenen met autismespectrumstoornissen, werkt aan een multidisciplinaire diagnostische richtlijn voor deze doelgroep. Op de website van het Kenniscentrum Autisme Nederland (www.kcan.nl) is hierover meer informatie te vinden. Binnen het kader van deze richtlijn wordt ook nagedacht over de invulling en de positionering van de neuropsychologische diagnostiek.

conclusie

De ontwikkeling van het concept van een autismespectrum heeft het autistische fenotype verbreed en de prevalentie van autismespectrumstoornissen verhoogd. Ook minder prominente vormen van autisme kunnen in de volwassenheid alsnog tot problemen leiden in het functioneren op alle levensgebieden. De uitingsvorm van autismespectrumstoornissen bij volwassenen onderscheidt zich van die bij kinderen en adolescenten en vereist adequate diagnostiek. Hierbij is het aan te bevelen om gebruik te maken van de beschikbare gestructureerde diagnostische instrumenten. Op indicatie kan aanvullend psychologisch of neuropsychologisch onderzoek, gericht op kenmerkende cognitieve stijlkenmerken, een toegevoegde waarde hebben.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur
  1. Kanner L. Autistic disturbances of affective contact. Acta Paedopsychiatr. 1968;35:100-36.

  2. Wing L. Asperger’s syndrome: a clinical account. Psychol Med. 1981;11:115-29.

  3. Wing L, Gould J. Severe impairments of social interaction and associated abnormalities in children: epidemiology and classification. J Autism Dev Disord. 1979;9:11-29.

  4. Burgoine E, Wing L. Identical triplets with Asperger’s syndrome. Br J Psychiatry. 1983;143:261-5.

  5. Le Couteur A, Bailey A, Goode S, Pickles A, Robertson S, Gottesman I, et al. A broader phenotype of autism: the clinical spectrum in twins. J Child Psychol Psychiatry. 1996;37:785-801.

  6. Diagnostic and statistical manual for mental disorders: DSM-IV-TR, 4th ed. Washington: American Psychiatric Association; 2000.

  7. Buitelaar JK, Gaag R van der, Klin A, Volkmar F. Exploring the boundaries of pervasive developmental disorder not otherwise specified: analyses of data from the DSM-IV Autistic Disorder Field Trial. J Autism Dev Disord. 1999;29:33-43.

  8. Baird G, Simonoff E, Pickles A, Chandler S, Loucas T, Meldrum D, et al. Prevalence of disorders of the autism spectrum in a population cohort of children in South Thames: the Special Needs and Autism Project (SNAP). Lancet 2006;368:210-5.

  9. Fombonne E. Epidemiology of autistic disorder and other pervasive developmental disorders. J Clin Psychiatry. 2005;66(Suppl 10):3-8.

  10. Berckelaer-Onnes IA van. Zestig jaar autisme. Ned Tijdschr Geneeskd. 2004;148:1024-30.

  11. Howlin P, Goode S, Hutton J, Rutter M. Adult outcome for children with autism. J Child Psychol Psychiatry. 2004;45:212-29.

  12. Howlin P. Outcome in high-functioning adults with autism with and without early language delays: implications for the differentiation between autism and Asperger syndrome. J Autism Dev Disord. 2003;33:3-13.

  13. Seltzer MM, Krauss MW, Shattuck PT, Orsmond G, Swe A, Lord C. The symptoms of autism spectrum disorders in adolescence and adulthood. J Autism Dev Disord. 2003;33:565-81.

  14. Seltzer MM, Shattuck P, Abbeduto L, Greenberg JS. Trajectory of development in adolescents and adults with autism. Ment Retard Dev Disabil Res Rev. 2004;10:234-47.

  15. Hengeveld MW, Londen L van, Gaag RJ van der. Herkenning van autismespectrumstoornissen bij volwassenen. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152:1353-7.

  16. Gorissen M, Gaag R van der. Psychodiagnostiek bij normaal begaafde volwassenen met stoornis in het autismespectrum (ASS) – deel I. Psychopraxis. 2005;7:27-33.

  17. Gorissen M, Teunisse JP, Gaag R van der. Psychodiagnostiek bij normaal begaafde volwassenen met een stoornis in het autismespectrum (ASS) – deel II. Psychopraxis. 2005;7:116-22.

  18. Baron-Cohen S. The autistic child’s theory of mind: a case of specific developmental delay. J Child Psychol Psychiatry. 1989;30:285-97.

  19. Baron-Cohen S, Leslie AM, Frith U. Does the autistic child have a ‘theory of mind’? Cognition. 1985;21:37-46.

  20. Frith U, Happé F. Autism: beyond ‘theory of mind’. Cognition. 1994;50:115-32.

  21. Frith U. Autism. Explaining the enigma. Cambridge: Blackwell; 1989.

  22. Hill EL. Executive dysfunction in autism. Trends Cogn Sci. 2004;8:26-32.

  23. Martin A, Scahill L, Klin A, Volkmar FR. Higher-functioning pervasive developmental disorders: rates and patterns of psychotropic drug use. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry. 1999;38:923-31.

  24. Gillberg C, Billstedt E. Autism and Asperger syndrome: coexistence with other clinical disorders. Acta Psychiatr Scand. 2000;102:321-30.

  25. Ghaziuddin M, Ghaziuddin N, Greden J. Depression in persons with autism: implications for research and clinical care. J Autism Dev Disord. 2002;32:299-306.

  26. Gillott A, Furniss F, Walter A. Anxiety in high-functioning children with autism. Autism. 2001;5:277-86.

  27. Baron-Cohen S. Do autistic children have obsessions and compulsions? Br J Clin Psychol. 1989;28:193-200.

  28. Konstantareas MM, Hewitt T. Autistic disorder and schizophrenia: diagnostic overlaps. J Autism Dev Disord. 2001;31:19-28.

  29. Goldstein S, Schwebach AJ. The comorbidity of pervasive developmental disorder and attention deficit hyperactivity disorder: results of a retrospective chart review. J Autism Dev Disord. 2004;34:329-39.

  30. Chakrabarti S, Fombonne E. Pervasive developmental disorders in preschool children: confirmation of high prevalence. Am J Psychiatry. 2005;162:1133-41.

  31. Nordin V, Gillberg C. Autism spectrum disorders in children with physical or mental disability or both. I. Clinical and epidemiolgical aspects. Dev Med Child Neurol. 1996;38:297-313.

  32. Shulman C, Yirmiya N, Greenbaum CW. From categorization to classification: a comparison among individuals with autism, mental retardation, and normal development. J Abnorm Psychol. 1995;104:601-9.

  33. Hildebrand M, Ruiter C de, Vogel V de, Wolf P van der. Reliability and factor structure of the Dutch language version of Hare’s psychopathy checklist-revised. Int J Forensic Mental Health. 2002;1:139-54.

  34. DiCicco-Bloom E, Lord C, Zwaigenbaum L, Courchesne E, Dager SR, Schmitz C, et al. The developmental neurobiology of autism spectrum disorder. J Neurosci. 2006;26:6897-906.

  35. Szatmari P, Paterson AD, Zwaigenbaum L, Roberts W, Brian J, Liu XQ, et al. Mapping autism risk loci using genetic linkage and chromosomal rearrangements. Autism Genomic Project Consortium. Nat Genet. 2007;39:319-28.

  36. Baron-Cohen S, Wheelwright S, Skinner R, Martin J, Clubley E. The autism-spectrum quotient (AQ): evidence from Asperger syndrome/high-functioning autism, males and females, scientists and mathematicians. J Autism Dev Disord. 2001;31:5-17.

  37. Lord C, Risi S, Lambrecht L, Cook jr EH, Leventhal BL, DiLavore PC, et al. The autism diagnostic observation schedule-generic: a standard measure of social and communication deficits associated with the spectrum of autism. J Autism Dev Disord. 2000;30:205-23.

  38. Lord C, Pickles A, McLennan J, Rutter M, Bregman J, Folstein S, et al. Diagnosing autism: analyses of data from the autism diagnostic interview. J Autism Dev Disord. 1997;27:501-17.

  39. Lord C, Rutter M, le Couteur A. Autism diagnostic interview-revised: a revised version of a diagnostic interview for caregivers of individuals with possible pervasive developmental disorders. J Autism Dev Disord. 1994;24:659-85.

  40. Leekam SR, Libby SJ, Wing L, Gould J, Taylor C. The diagnostic interview for social and communication disorders: algorithms for ICD-10 childhood autism and Wing and Gould autistic spectrum disorder. J Child Psychol Psychiatry. 2002;43:327-42.

  41. Wing L, Leekam SR, Libby SJ, Gould J, Larcombe M. The diagnostic Interview for social and communication disorders: background, inter-rater reliability and clinical use. J Child Psychol Psychiatry. 2002;43:307-25.

Auteursinformatie

Universitair Medisch Centrum St Radboud, afd. Psychiatrie, Postbus 9101, 6500 HB Nijmegen.

Contact Hr.dr.C.C.Kan, psychiater; hr.prof.dr.J.K.Buitelaar en hr.prof.dr.R.J.van der Gaag, kinder- en jeugdpsychiaters (c.kan@psy.umcn.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties