Afname van het verdrinkingsrisico bij jonge kinderen, maar verhoogd risico bij kinderen van recent geïmmigreerde niet-westerse allochtonen
Open

Onderzoek
26-05-2008
M.J. Garssen, J. Hoogenboezem en J.J.L.M. Bierens

Doel.

Beschrijving van de verschillen in verdrinkingsrisico van kinderen tot 10 jaar op grond van etnische herkomst en de ontwikkelingen daarin sinds 1996.

Opzet.

Retrospectief.

Methode.

Wij analyseerden gegevens over alle 266 kinderen jonger dan 10 jaar die in de periode 1996-2005 door verdrinking in Nederland overleden. Informatie over de doodsoorzaak was afkomstig van de doodsoorzakenstatistiek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Gegevens over de omvang en de samenstelling van de risicogroepen ontleenden wij aan de gemeentelijke basisadministraties.

Resultaten.

Het verdrinkingsrisico van jonge kinderen verminderde sinds 1996 met circa een derde. Deze daling vond plaats onder autochtonen en de grootste, klassieke allochtone herkomstgroepen, Turken, Marokkanen en Surinamers. Het aantal gevallen van verdrinking nam echter toe bij niet-westerse allochtone kinderen uit de groep die overwegend bestaat uit asielzoekers die recent geïmmigreerd zijn. Hun verdrinkingsrisico was vanaf 3-jarige leeftijd 4 tot 8 keer zo hoog als dat van autochtone kinderen.

Conclusie.

Tijdige voorlichting aan gezinnen met jonge kinderen die zich in Nederland vestigen is waarschijnlijk een belangrijk middel om de kans op verdrinking te verminderen. Voor de jongste kinderen dient daarbij het belang van toezicht te worden benadrukt, en voor iets oudere kinderen het belang van zwemvaardigheid.

Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152:1216-20

Inleiding

In de periode 1996-2005 kwamen in ons land 2763 mensen door verdrinking om het leven (bron: Centraal Bureau voor de Statistiek; CBS). Onder hen bevonden zich 266 kinderen jonger dan 10 jaar. Bij 92 van deze kinderen speelde accidentele verdrinking een hoofdrol (andere gevallen betreffen verkeersongevallen en moord).

Eerder onderzoek op basis van de Nederlandse doodsoorzakenstatistiek laat zien dat de sterfte door accidentele verdrinking bij kinderen jonger dan 10 jaar in de periode van 1980 tot medio jaren negentig aanzienlijk afnam, maar dat het niveau vervolgens min of meer constant bleef tot 2000.1 Uit het betreffende onderzoek kwamen ook forse etnische verschillen naar voren in de sterfte door verdrinking. Voor de periode 1995-2000 werd voor alle etnische minderheden tezamen, ten opzichte van autochtonen, een relatief risico van 2,56 berekend.2 Voor Surinamers, Turken en Marokkanen gold een 3-4 keer zo hoog risico. Verschillen in risico op grond van etniciteit zijn ook in andere landen gevonden.3-6 In het algemeen is het verdrinkingsrisico hoger in landen met lage inkomens en onder bevolkingsgroepen met een lage sociaaleconomische status.7

Tussen begin 1996 en eind 2005 is het aantal niet-westerse allochtone kinderen jonger dan 10 jaar met een kwart gestegen, namelijk met 63.000, terwijl het aantal autochtone kinderen zeer licht afnam. Het aandeel van de niet-westerse allochtone kinderen in het totale aantal kinderen jonger dan 10 jaar groeide van 16,9 naar 21,2. Vooral het aantal kinderen in niet-westerse herkomstgroepen met een recente migratiegeschiedenis, zoals kinderen van Iraakse, Iraanse en Afghaanse origine, nam zeer sterk toe. Deze kinderen worden tot de ‘overige niet-westerse allochtone’ herkomstgroep gerekend, een groep die in genoemde periode met 63 groeide. De ouders van deze kinderen zijn veelal naar Nederland gekomen om er asiel aan te vragen en hebben in het algemeen een lage sociaaleconomische positie.8

In dit artikel gaan wij in op de recente ontwikkelingen rond de verdrinking van jonge kinderen van verschillende etnische herkomst.

gegevens en methode

De gebruikte gegevens werden ontleend aan de statistiek van doodsoorzaken van het CBS. Ze zijn gebaseerd op de door een arts of lijkschouwer ingevulde doodsoorzaakverklaringen. De wettelijk verplichte verklaringen, met vermelding van de primaire en eventueel secundaire doodsoorzaak, betreffen alle in de Nederlandse bevolkingsregistratie opgenomen personen die in Nederland zijn overleden. Naast de anonieme doodsoorzaakverklaring ontvangt het CBS een elektronisch bericht van overlijden uit de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA), met persoonsgegevens van de overledene, maar zonder informatie over diens doodsoorzaak. Met behulp van het aktenummer van de doodsoorzaakverklaring kunnen beide berichten worden gekoppeld en kan het land van herkomst van de overledene worden bepaald op basis van gegevens uit de GBA. De geheimhouding van deze gegevens is wettelijk vastgelegd.

Voor ons onderzoek werden alle 266 kinderen jonger dan 10 jaar geselecteerd die in de periode 1996-2005 waren overleden en in de CBS-doodsoorzakenstatistiek werden opgenomen met code T751 van de ‘International classification of diseases’(ICD)-10: verdrinking als complicerende doodsoorzaak. Aangezien de classificatie sinds 1996 niet is veranderd, waren er geen trendbreuken als gevolg van overgangen in de wijze van codering. Gedigitaliseerde informatie over de locatie van verdrinking was alleen beschikbaar voor de jaren 2003-2005.

Allochtoon.

Volgens de definitie zoals gebruikt door het CBS wordt iemand als allochtoon beschouwd als tenminste één van diens ouders in het buitenland is geboren. Allochtonen die in het buitenland zijn geboren, vormen de eerste generatie en allochtonen die in Nederland zijn geboren de tweede generatie. Allochtonen die zelf in het buitenland zijn geboren, worden naar herkomst onderscheiden op grond van hun geboorteland; bij allochtonen die in Nederland zijn geboren, wordt dit onderscheid in eerste instantie gemaakt op grond van het geboorteland van de moeder. Is de moeder in Nederland geboren, dan is het geboorteland van de vader bepalend. De sterftecijfers in dit artikel hebben betrekking op de eerste en tweede generatie tezamen.

Berekeningen.

De statistische significantie van verschillen tussen de onderscheiden groepen niet-westerse allochtonen en autochtonen, en tussen verschillende perioden, werd bepaald door middel van een 2-zijdige toets voor een fractie met behulp van een normale verdeling.

resultaten

Hoger verdrinkingsrisico bij allochtone kinderen.

Figuur 1 toont een trendmatige daling van het accidentele verdrinkingsrisico voor kinderen met circa een derde sinds medio jaren negentig van de vorige eeuw. De sterfte was aan het eind van de periode (2003-2005) statistisch significant lager (p < 0,05) dan aan het begin (1996-1998). Gegevens over de sterfte door accidentele verdrinking naar land van herkomst zijn voor de totale periode 1996-2005 weergegeven in tabel 1. Hieruit blijkt duidelijk de relatieve oververtegenwoordiging van niet-westerse allochtone kinderen. Hun risico om door verdrinking te overlijden was met 27,0 per miljoen per jaar (95-BI: 21,2-32,9) significant hoger dan dat van autochtone kinderen (10,9 per miljoen per jaar; 95-BI: 9,3-12,6). Dit gold voor de groep overige niet-westerse allochtone kinderen in sterkere mate dan voor Turkse, Marokkaanse en Surinaamse kinderen.

Het verdrinkingscijfer werd sinds medio jaren negentig lager bij zowel autochtonen als allochtonen (figuur 2). Dat de daling van het sterftecijfer onder niet-westerse allochtonen relatief bescheiden was, kwam voor rekening van de groep ‘overige niet-westerse’ kinderen. Deze groep liet als enige een toename van het aantal verdrinkingsgevallen zien. Het aantal overige niet-westerse kinderen nam in de periode 1996-2005 bovendien toe met 54, tegen 9 toename voor Turkse, Marokkaanse en Surinaamse kinderen tezamen. Overige niet-westerse allochtone drenkelingen kregen daarmee een steeds groter aandeel in het totale aantal verdrinkingsgevallen onder niet-westerse allochtonen.

Verdrinkingsrisico naar leeftijd en herkomst.

Van de 266 kinderen tot 10 jaar die in het bestudeerde decennium verdronken, was ongeveer de helft jonger dan 3 jaar (tabel 2). Voor allochtonen gold een 1,5 tot 2 keer zo groot verdrinkingsrisico als voor autochtonen. Met het toenemen van de leeftijd nam het verdrinkingsrisico af, maar deze afname was bij autochtone Nederlanders en westerse allochtonen veel sterker dan bij niet-westerse allochtonen. Het verschil in verdrinkingsrisico naar herkomst was het grootst bij de niet-westerse allochtone kinderen van 3-5 jaar (circa 3 keer zo groot risico) en 6-9 jaar (circa 5 keer zo groot risico). Bij de kinderen in de groep overige niet-westerse allochtonen was de sterfte op deze leeftijden statistisch significant hoger dan bij autochtone kinderen, respectievelijk 4 en 8 keer zo hoog. Mede door de hogere sterfte in deze groep was ook het verdrinkingsrisico van de totale niet-westerse herkomstgroep significant hoger.

Plaats van de verdrinking.

Van alle 60 kinderen tot 10 jaar die in de periode 2003-2005 verdronken was de plaats van het ongeval bekend. Tot de leeftijd van 3 jaar vonden vrijwel alle ongevallen, bij zowel autochtonen als allochtonen, in of nabij het ouderlijk huis plaats. Op hogere leeftijden, vanaf 4 jaar, was geen locatie aanwijsbaar die voor een bepaalde etnische groep gevaarlijker was. Alle groepen van die leeftijd verdronken op grotere afstand van het huis, zoals in een vijver, kanaal, waterplas of zwembad.

beschouwing

Niet-natuurlijke doodsoorzaken, en daarbinnen verdrinking, maken een relatief groot deel uit van de sterfte onder jonge kinderen. In sommige ontwikkelingslanden verdrinken nu meer kinderen dan er sterven aan infectieziekten.3 In Nederland vormt verdrinking bij jongetjes van 2-4 jaar zelfs de grootste afzonderlijke categorie van doodsoorzaken, vóór aangeboren afwijkingen, leukemie en meningitis (bron: CBS).

Uit ons onderzoek bleek dat het totale verdrinkingsrisico voor kinderen jonger dan 10 jaar in Nederland sinds medio jaren negentig van de vorige eeuw was gedaald. Niet-westerse allochtone kinderen van Marokkaanse, Turkse of Surinaamse herkomst waren in de totale sterfte door verdrinking oververtegenwoordigd, maar ook hun verdrinkingsrisico daalde in het afgelopen decennium. Alleen bij de groep ‘overige niet-westerse’ kinderen was er een toegenomen risico. De ouders van deze kinderen waren overwegend als asielmigrant naar Nederland gekomen, onder meer uit Somalië, Irak, Iran, Afghanistan, Rwanda, Burundi en Guinee. Van alle herkomstgroepen was hun verblijfsduur in Nederland het kortst.

De ‘overige niet-westerse’ allochtonen vormen in meerdere opzichten een kwetsbare bevolkingsgroep. Ook door hun nog relatief korte verblijfsduur in Nederland heeft deze groep een achterstand met betrekking tot taalbeheersing en acculturatie, een zwakkere positie op de arbeidsmarkt en een relatief grote uitkeringsafhankelijkheid.9

Door de verandering van de bevolkingssamenstelling naar herkomst had de niet-westerse allochtone bevolking, en daarbinnen vooral de groep recente immigranten, een aanzienlijk effect op het sterftecijfer voor verdrinking. Zou voor allochtonen hetzelfde verdrinkingsrisico gelden als voor autochtonen, dan waren in de periode 1996-2005 in totaal 217 kinderen door verdrinking om het leven gekomen, bijna een vijfde minder dan het hier gepresenteerde aantal van 266.

Het is niet ondenkbaar dat de werkelijke sterftecijfers in de groep ‘overige niet-westerse allochtonen’ nog hoger zijn dan door ons berekend. Sterfgevallen van personen die illegaal in Nederland verblijven of nog niet in de GBA zijn ingeschreven, worden door het CBS niet in de statistieken opgenomen. Bovendien zijn lang niet alle personen die een asielverzoek hebben ingediend ingeschreven in de GBA. In 2003 betrof dit de helft tot twee derde van de asielzoekers.10

In ons onderzoek konden wij niet beschikken over kwalitatieve gegevens over de aard en de omstandigheden van de verdrinking, noch over gegevens met betrekking tot niet-fatale verdrinking. Ook ontbreken recente gegevens over de zwemvaardigheid van de onderscheiden groepen. Personen met een relatief lage sociaaleconomische status, onder wie asielzoekers of voormalige asielzoekers, zijn volgens al enigszins gedateerd onderzoek minder zwemvaardig.11 Een duidelijk verband tussen zwemvaardigheid en verdrinkingsrisico is echter nooit aangetoond.12

Tenslotte dient te worden vermeld dat het migratiemotief van ouders van verdronken kinderen niet op individueel niveau beschikbaar is. Onze conclusie dat kinderen met recent geïmmigreerde ouders, die doorgaans voor asiel naar Nederland zijn gekomen, een relatief hoog risico lopen, is daarom getrokken op basis van een statistisch verband.

De afgelopen jaren is het verdrinkingscijfer van Marokkaanse kinderen, dat in eerdere jaren veel hoger was dan dat van de andere herkomstgroepen, naar verhouding het sterkst gedaald. De indruk bestaat dat Marokkaanse kinderen wat betreft hun zwemvaardigheid hun achterstand inhalen. Harde gegevens hierover ontbreken echter. De mogelijkheden om het verdrinkingsrisico verder te reduceren lijken bij niet-westerse allochtonen groter dan bij autochtonen. Hoewel de meeste sterfgevallen zich voordoen op een leeftijd waarop zwemonderricht nog niet gebruikelijk is, zijn de verdrinkingscijfers vooral onder de iets oudere kinderen van niet-westerse allochtonen veel hoger dan bij autochtonen. De resultaten van dit onderzoek lijken erop te wijzen dat allochtone bevolkingsgroepen pas na verloop van tijd gaan beseffen hoe zij moeten omgaan met het vele water in hun nieuwe leefomgeving.

Tijdige voorlichting aan gezinnen met jonge kinderen die zich in Nederland vestigen kan een belangrijk middel zijn om de kans op verdrinking te verminderen. Voor de jongste kinderen dient daarbij het belang van toezicht te worden benadrukt en voor iets oudere kinderen het belang van zwemvaardigheid.

Prof.dr.J.P.Mackenbach, sociaal geneeskundige, en dr.A.E.Kunst, demograaf, beiden van het Erasmus MC te Rotterdam, gaven commentaar op een eerdere versie van dit artikel. Dr.F.J.M.van Leerdam, jeugdarts, VU Medisch Centrum te Amsterdam, en dr.E.van Beeck, arts, Erasmus MC te Rotterdam, gaven aanvullende informatie over verdrinking en de preventie daarvan naar etniciteit.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur

  1. Verweij CGC, Bierens JJLM. Aan verdrinking gerelateerde sterfte sterk teruggelopen. CBS Maandstatistiek van de Bevolking. 2002;50:9-12.

  2. Stirbu I, Kunst AE, Bos V, Beeck EF van. Injury mortality among ethnic minority groups in the Netherlands. J Epidemiol Community Health. 2006;60:249-55.

  3. Krug EG, Sharma GK, Lozano R. The global burden of injuries. Am J Public Health. 2000;90:523-6.

  4. Langley JD, Warner M, Smith GS, Wright C. Drowning-related deaths in New Zealand, 1980-94. Aust N Z J Public Health. 2001;25:451-7.

  5. Saluja G, Brenner RA, Trumble AC, Smith GS, Schroeder T, Cox C. Swimming pool drownings among US residents aged 5-24 years: understanding racial/ethnic disparities. Am J Public Health. 2006;96:728-33.

  6. Hastings DW, Zahran S, Cable S. Drowning in inequalities. J Black Stud. 2006;36:894-917.

  7. Peden M, McGee K, Krug E, editors. Injury, a leading cause of the global burden of disease. Genève: WHO; 1999.

  8. Langenberg H, Lautenbach H. Beroepsniveau niet-westerse allochtonen lager. CBS Sociaal-economische trends. 2007:36-45.

  9. Sprangers A, Zorlu A, Hartog J, Nicolaas H. Immigranten op de arbeidsmarkt. CBS Sociaal-economische trends. 2004:27-37.

  10. Nicolaas H. Bevolkingsprognose 2004-2050: veronderstellingen over de asielmigratie. Bevolkingstrends. 2005;53:39-45.

  11. Verweij CGC. Zwemvaardigheid in Nederland nader onderzocht. CBS Maandbericht Gezondheidsstatistiek. 1992;11:4-17.

  12. Brenner R, Moran K, Stallman R, Gilchrist J, McVan J. Swimming abilities, water safety education and drowning prevention. In: Bierens JJLM, editor. Handbook on drowning: prevention, rescue, treatment. Heidelberg: Springer; 2005. p. 112-7.