Trombocytopenie

Labquiz
29-12-2016
Karin van den Hurk, Jan Veenstra en Henriët A. Hendriks

 

Casus 1

Patiënt A, een 80-jarige man, wordt gezien op de huisartsenpost in verband met een urineweginfectie en koorts (38,6°C). Hiervoor krijgt hij ciprofloxacine per os voorgeschreven. Zijn thuismedicatie omvat onder meer acenocoumarol. Kort na inname van de ciprofloxacine wordt hij onwel; hij is misselijk en moet braken. Daarop wordt hij opgenomen op de afdeling Interne Geneeskunde. Onder de werkdiagnose ‘gecompliceerde urineweginfectie’ wordt na afname van bloed- en urinekweken begonnen met intraveneuze toediening van ceftriaxon. Laboratoriumonderzoek toont een leukocytose, een lichte trombocytopenie, een verlengde PT en aPTT, en nierinsufficiëntie (tabel 1). Het urinesediment bevat een verhoogd aantal erytrocyten, leukocyten en bacteriën en in de urinekweek zitten gramnegatieve staven. Gedurende de opname ontwikkelt de patiënt een fluctuerend diepe trombocytopenie (trombocytengetal variërend van 5-40 x 109/l), die niet herstelt bij het verbeteren van de sepsis.

Wat is uw waarschijnlijkheidsdiagnose? Kies 1 van onderstaande mogelijkheden.

  • 1a Trombocytopenie door diffuse intravasale stolling bij de urosepsis.
  • 1b Ceftriaxon-geïnduceerde trombocytopenie.
  • 1c Trombotische trombocytopenische purpura.
  • 1d Pseudotrombocytopenie.

Casus 2

Patiënt B, een 78-jarige man, wordt ...

Lees verder als abonnee

Doorlezen met Blendle

Word abonnee

  • wekelijks het papieren tijdschrift
  • online toegang tot alle artikelen
  • geaccrediteerde nascholing
Sluit een abonnement af

Registreer als abonnee