Stollingsonderzoek: PT en APTT
Open

Labquiz
30-01-2012
Christian Ramakers, Cees van der Heul en Eduard M. van Wijk

 

Casus 1

Patiënt A, een 71-jarige vrouw, heeft pijn op de borst, wat na grondig onderzoek wordt geduid als atypische thoracale pijn zonder cardiale oorzaak. Bij laboratoriumonderzoek blijkt de geactiveerde partiële tromboplastinetijd (APTT) bij herhaling maximaal verlengd tot 240 s (referentiewaarde: 24-37). De stollingsanamnese levert geen aanwijzingen op voor een verhoogde bloedingsneiging. Op de Spoedeisende Hulp is geen heparine toegediend. Tabel 1 geeft een overzicht van het aangevraagde laboratoriumonderzoek.

Wat is de meest voor de hand liggende bepaling die niet in tabel 1 wordt vermeld?

  • 1a Von-willebrandfactor.

  • 1b APTT-mengproef (1 deel plasma van de patiënt en 1 deel gepoold plasma van patiënten met een niet afwijkende APTT).

  • 1c Lupusanticoagulans in combinatie met anti-bèta 2-glycoproteïne -I-antistoffen en anti-cardiolipine-antistoffen.

  • 1d Stollingsfactor VIII-activiteit.

Casus 2

Patiënt B, een 46-jarige vrouw met een blanco voorgeschiedenis, wordt opgenomen met een nefrotisch syndroom. Zij heeft een proteïnurie van 6 g/24 h (referentiewaarde: < 150 mg/24 h) en een hypoalbuminemie van 23 g/l (referentiewaarde: 35-55). Omdat bij het laboratoriumonderzoek aanwijzingen voor een auto-immuunziekte worden ...