Schildklierdiagnostiek: discrepantie FT4 en TSH
Open

Labquiz
15-08-2012
Lianne S.M. Boesten, Michael P. Brugts en André P. van Rossum

Casus 1

Patiënt A, een 55-jarige man, is kortademig en heeft pijn op de borst en een onregelmatige hartslag. Het ecg toont atriumfibrilleren. De diagnose ‘longembolie’ wordt gesteld, waarop wordt gestart met laagmoleculair heparine en acenocoumarol. De cardioloog laat de schildklierfunctie bepalen. De concentratie thyroïdstimulerend hormoon (TSH) blijkt niet-afwijkend, maar die van vrij thyroxine (FT4) is verhoogd (tabel 1). De uitslagen blijven bij herhaling deze discrepantie vertonen.

Zijn onderstaande beweringen juist of onjuist?

  • 1a: Bij deze patiënt lijkt sprake te zijn van subklinische hyperthyreoïdie met een niet-passende – schijnbaar niet-verlaagde – TSH-waarde. De TSH-waarde valt ten onrechte binnen de referentiewaarden doordat acenocoumarol met de meetmethode interfereert.

  • 1b: Bij deze patiënt is er geen sprake van een subklinische hyperthyreoïdie, maar heeft de heparine de FT4-meting verstoord.

Casus 2

Patiënt B, een 36-jarige vrouw met vermoeidheid en gewrichtsklachten, en tevens een verhoogde TSH- en een niet-afwijkende FT4-waarde (zie tabel 1), wordt verwezen naar de internist. Deze stelt de diagnose ‘ziekte van Sjögren’. Herhaling van het schildklierfunctieonderzoek laat dezelfde ...