Schildklierantistoffen
Open

Labquiz
20-05-2015
N.H. (Hang) Le, B.E.B.P. (Bart) Ballieux en E.P.M. (Noortje) Corssmit

Casus

Wij bespreken de plaats van autoantistoffen tegen schildklierantigenen in de diagnostiek van schildklierfunctiestoornissen. Deze labquiz sluit daarbij aan op de labquiz die eerder in het NTvG is verschenen, getiteld ‘Schildklierdiagnostiek: discrepantie FT4 en TSH’ (zie www.ntvg.nl/A4167).

Casus 1

Patiënt A, een 32-jarige vrouw, komt bij de huisarts vanwege vermoeidheid. Ze vertelt dat ze lusteloos is, dat haar gewicht is toegenomen en dat ze een droge huid heeft. Deze klachten hebben zich in de loop van enkele maanden gemanifesteerd. Uit het laboratoriumonderzoek blijkt dat de waarde van thyreoïdstimulerend hormoon (TSH) verhoogd is (tijdstip 0 in tabel 1). Bij een afwijkende TSH-waarde wordt in het laboratorium standaard de waarde van vrij thyroxine (FT4) bepaald. De FT4-uitslag valt binnen het referentiegebied. Bij controle na 3 maanden is de TSH-waarde verder gestegen en de FT4-waarde verder gedaald tot een laag-normale waarde (zie tabel 1). De diagnose ‘subklinische hypothyreoïdie’ wordt gesteld.

Welke schildklierantistoffenbepaling vraagt u aan?

  • 1a Geen; subklinische hypothyreoïdie behoeft geen behandeling.
  • 1b Thyreoperoxidase(TPO)-antistoffen; TPO-antistoffen zijn een onafhankelijke risicofactor voor progressie tot een manifeste hypothyreoïdie.
  • 1c TPO- en thyreoglobuline(TG)-antistoffen; de combinatie van TPO- en TG-antistoffen is een onafhankelijke risicofactor voor progressie tot een manifeste hypothyreoïdie.
  • 1d TSH-receptor(TSHR)-antistoffen; blokkerende TSHR-antistoffen veroorzaken hypothyreoïdie.

Casus 2

Patiënt B, een 36-jarige vrouw, heeft sinds ruim 2 jaar de ziekte van Graves met een diffuus struma zonder orbitopathie. Patiënte is succesvol behandeld met het ‘block and replacement’-regime, dat bestaat uit methimazole en levothyroxine. Door deze behandeling is er sprake van biochemische euthyreoïdie; ook na het staken van de behandeling is dit zo gebleven (tijdstip 0 in tabel 1). Een jaar later is patiënte zwanger (G1P0) en daarom komt zij bij de huisarts; ze is op dat moment 6 weken zwanger. De huisarts vraagt laboratoriumonderzoek aan en verwijst patiënte naar de gynaecoloog (zie tabel 1).

Welke schildklierantistoffenbepaling vraagt u aan in de follow-up en wanneer?

  • 2a Geen; bij een euthyreote zwangere is geen additionele follow-up nodig.
  • 2b TSHR-antistoffen iedere 4-6 weken bepalen; TSHR-antistoffen voorspellen het risico op foetale of neonatale schildklierfunctiestoornissen.
  • 2c TSHR-antistoffen bepalen bij een zwangerschapsduur van 22-26 weken; TSHR-antistoffen voorspellen het risico op foetale of neonatale schildklierfunctiestoornissen.
  • 2d TSHR- en TPO-antistoffen; de combinatie van TSHR- en TPO-antistoffen voorspelt het risico op exacerbatie van Graves-hyperthyreoïdie post partum.

Literatuur

  1. Effraimidis G, Wiersinga WM. Autoimmune Thyroid Disease: old and new players. Eur J Endocrinol. 2014;170:R241-52. Medline

  2. McLachlan SM, Rapaport B. Breaking Tolerance to Thyroid Antigens: changing concepts in thyroid autoimmunity. Endocrine Rev. 2014;35:59-105. Medline

  3. Gardner DG, Shoback D. Greenspan’s Basic and Clinical Endocrinology. 9e dr. San Francisco: McGraw-Hill Companies; 2011.

  4. Hooijkaas H, Mohrmann K, Smeets LC, Souverijn JHM, Tax GHM. Handboek Medische Laboratoriumdiagnostiek. 2e herziene dr. Houten: Prelum Uitgevers; 2013.

  5. Batstra MR, Drexhage HA. Auto-immuunziekten van endocriene organen. Ned Tijdschr Klin Chem Labgeneesk. 2006;31:275-81.

  6. Landelijke Eerstelijns Samenwerkingsafspraak (LESA). Rationeel Aanvragen van Laboratoriumdiagnostiek. Utrecht: NHG; 2012.

  7. Schildkliercarcinoom. Utrecht: Integraal Kankercentrum Nederland; 2007.

  8. NHG-standaard Schildklieraandoeningen (tweede herziening). Utrecht: NHG; 2013.

  9. Richtlijn Schildklierfunctiestoornissen. Revisie 2012. Utrecht: Nederlandse Internisten Vereniging; 2012.

  10. Pearce SHS, Brabant G, Duntas LH, Monzani F, Peeters RP, Razvi S et al. 2013 ETA Guideline: Management of Subclinical Hypothyroidism. Eur Thyroid J. 2013;2:215-28. Medline

  11. Garber JR, Cobin RH, Gharib H, Hennessey JV, Klein I, Mechanick JI et al. Clinical Practice Guidelines for Hypothyroidism in Adults: Cosponsored by the American Association of Clinical Endocrinologists and the American Thyroid Association. Thyroid. 2012;22:1200-35. Medline

  12. Lazarus J, Brown RS, Daumerie C, Hubalewska-Dydejczyk A, Negro R, Vaidya B. 2014 European Thyroid Association Guidelines for the Management of Subclinical Hypothyroidism in Pregnancy and in Children. Eur Thyroid J. 2014;3:76-94. Medline

  13. Schildklier en Zwangerschap. Versie 2.0. Utrecht: Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie; 2010.

  14. Vissenberg R, Goddijn M, Mol BM, Van der Post JA, Fliers E, Bisschop PH. Schildklierdisfunctie bij zwangeren. Klinische dilemma’s. Ned Tijdschr Geneeskd. 2012;156:A5163.

  15. Barbesino G, Tomer Y. Clinical review: Clinical utility of TSH receptor antibodies. J Clin Endocrinol Metab. 2013;98:2247-55. Medline

  16. Abeillon-du Payrat J, Chikh K, Bossard N, Bretones P, Gaucherand P, Claris O et al. Predictive value of maternal second-generation thyroid-binding inhibitory immunoglobulin assay for neonatal autoimmune hyperthyroidism. Eur J Endocrinol. 2014;171:451-60. Medline

  17. Spencer CA. Clinical Utility of Thyroglobulin Antibody (TgAb) Measurements for Patients with Differentiated Thyroid Cancers (DTC). J Clin Endocrinol Metab. 2011;96:3615-27. Medline

  18. Gussekloo J, van Exel E, de Craen AJ, Meinders AE, Frolich M, Westendorp RG. Thyroid status, disability and cognitive function, and survival in old age. JAMA. 2004;292:2591-9. Medline

  19. Westgard Desirable Biological Variation Database specifications. www.westgard.com/biodatabase1.htm, geraadpleegd op 12 december 2014.