Veranderingen in 2008/’09 van de epidemiologie van Clostridium difficile-infecties in Nederland.

Onderzoek
Marjolein P.M. Hensgens
Abraham Goorhuis
Daan W. Notermans
Birgit H.B. van Benthem
Ed J. Kuijper
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2010;154:A1317
Abstract

Samenvatting

Doel

De epidemiologische kenmerken beschrijven van infectie door Clostridium difficile (CDI) in Nederland.

Opzet

Descriptief.

Methode

Na de eerste uitbraak in 2005 van CDI door het hypervirulente PCR-ribotype 027, werd er een nationaal referentielaboratorium ingesteld in het Leids Universitair Medisch Centrum voor typering en karakterisering van Clostridium difficile. Data werden verkregen van dit referentielaboratorium en van een continue surveillance die in 14 ziekenhuizen plaatsvond. Het onderzoek liep van januari 2008-juni 2009.

Resultaten

In 2008 was de incidentie van CDI 18 per 10.000 opnames (uitersten: 14-23) in de 14 ziekenhuizen die participeerden in de continue surveillance. In de onderzoeksperiode werden er vanuit 63 centra 1867 meldingen van CDI gedaan. Het aantal CDI uitbraken door het hypervirulente type 027 was verminderd in de periode januari 2008-juni 2009, vergeleken met de jaren daarvóór: type 027 was de oorzaak van een uitbraak in 4 ziekenhuizen in 2008-2009, terwijl er in 14 ziekenhuizen een uitbraak door dit type was in 2005-2007. Hoewel er geen systematische surveillance van CDI in verpleeghuizen plaatsvond, werden in de periode van 2005-2009 in 24 Nederlandse verpleeghuizen uitbraken van C. difficile gerapporteerd, waarbij in 12 type 027 werd geïsoleerd. Er was een toename van opgemerkte CDI bij patiënten met diarree buiten de zorginstellingen, die samen leek te gaan met de opkomst van andere typen. Vooral type 078 nam sinds eind 2006 toe; dit is nu het derde meest voorkomende type in Nederland. Dit type werd sinds 2007 ook herkend als een belangrijke verwekker van CDI bij dieren, met name varkens. Inmiddels zijn er ook berichten verschenen dat ruim een derde van de patiënten met CDI buiten de zorginstelling, geen bekende risicofactor voor CDI heeft, zoals een onderliggende ziekte, recente ziekenhuisopname of antibioticagebruik.

Conclusie

CDI komt ook buiten zorginstellingen voor. Vooral bij oudere patiënten met diarree zonder bekende verwekker, dient de huisarts C. difficile in de differentiaaldiagnose op te nemen.

Auteursinformatie

Leids Universitair Medisch Centrum, Centrum voor Infectieziekten, Leiden.

Afd. Medische Microbiologie: drs. M. Hensgens, arts-onderzoeker; dr. E J. Kuijper, arts-microbioloog; drs. A. Goorhuis, internist in opleiding.

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Bilthoven.

Centrum Infectieziektebestrijding: dr. Ir. B.H.B. van Benthem, epidemioloog; dr. D.W. Notermans, arts-microbioloog.

Contact dr. E.J. Kuijper (e.j.kuijper@lumc.nl)

Verantwoording

Naschrift Na de indiening van dit artikel deden zich in 2010 in 2 ziekenhuizen en in een verpleeghuis uitbraken van PCR-ribotype 027 voor, die door snelle herkenning van beperkte omvang bleven.
Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.
Aanvaard op 24 februari 2010

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties