Lang niet alle patiënten met suikerziekte laten zich regelmatig screenen op netvliesafwijkingen. Onderzoekers van LUMC en VUmc melden in Diabetes Research and Clinical Practice dat screeningsdeelname vooral te maken heeft met kennis van schadelijke effecten op het gezichtsvermogen en met adviezen van zorgverleners (2011; epub 1 december).
Om de overwegingen in kaart te brengen van patiënten met diabetes mellitus (DM) om wel of niet deel te nemen aan screening voor diabetische retinopathie stuurden de onderzoekers in 2008 een vragenlijst over deelnamemotieven en -barrières naar 3236 DM-patiënten uit 20 Nederlandse huisartspraktijken. Na 1 herinnering stuurden uiteindelijk 2366 patiënten (73%) een ingevulde enquête terug.
Van de respondenten meldde 81% in de afgelopen 3 jaar te zijn gescreend op retinopathie. Patiënten die niet hadden deelgenomen aan de screening, waren lager opgeleid, hadden recenter de diagnose ‘diabetes mellitus’ gekregen en gebruikten minder vaak insuline dan de screeningsdeelnemers. De laatste groep kwam weer vaker bij de dokter op bezoek. Patiënten gaven aan dat ‘kennis over de schadelijke effecten van diabetische retinopathie op de visus’, ‘plichtsbesef’ en ‘angst voor slechtziendheid’ hen motiveerden om mee te doen. De belangrijkste drempel was het ontbreken van een aanbeveling tot screening door de zorgverlener.
De auteurs wijzen erop dat de gevonden motieven en barrières veranderbaar zijn. Bovendien wijst de variatie in opkomstpercentages (59-92%) erop dat de praktijkorganisatie screeningsdeelname kan beïnvloeden. Wat de onderzoekers betreft, moeten huisartsen, internisten en praktijkondersteuners zich richten op niet-deelnemers en hen met juiste informatie, aanbevelingen en follow-up aanmoedigen om mee te doen met screening op diabetische retinopathie.

