Gepubliceerd op: 29-04-2009
Citeer dit artikel als:
 Ned Tijdschr Geneeskd. 2009;153:B366
Onderzoek

Fleur Vansenne

,

Corianne A.J.M. de Borgie

,

Marelle J. Bouva

,

Monica A. Legdeur

,

Rob van Zwieten

,

Fred Petrij

en

Marjolein Peters

Objective

Evaluation of the reporting of sickle cell trait during the first year (2007) in which sickle cell disease has been included in heel prick screening in the Netherlands.

Design

Descriptive.

Method

Reporting of the number of children identified as having sickle cell trait and the number of subsequent referrals by general practitioners to 2 clinical genetics centres (CGC), at the Academic Medical Center in Amsterdam and the Erasmus MC in Rotterdam.

Results

In the first year sickle cell trait was found in 806 children. Only 20 couples were referred to the 2 CGCs, and these did not include any at-risk couples i.e. couples in which both partners have sickle cell trait.

Conclusion

There is still a lack of clarity among primary care providers concerning the role of the general practitioner and of the midwife in the reportage procedure for sickle cell trait.

Reactie toevoegen

Reacties

Sikkelcelziekte in de hielprikscreening. II.

Vansenne et al. beschrijven de resultaten van het terugrapporteren van dragerschap van sikkelcelziekte aan de ouders van 806 pasgeborenen in 2007. Dit is een belangrijke bijdrage aan de evaluatie van de uitbreiding van de hielprik per 1 januari 2007. In de resultatensectie wordt uitgegaan van een dragerschapfrequentie van 10%, op grond waarvan de auteurs 80 risico-ouderparen verwachten. Dit aantal is te hoog, het zou een factor twee lager moeten zijn. We hebben onze erfelijke aanleg dubbel, één allel van vader en één van moeder. Een dragerfrequentie van 10% betekent een allelfrequentie van 5%. Allelen zijn alternatieve vormen van een gen. Wanneer een kind drager is van een hemoglobinopathie, zoals sikkelcelziekte, heeft het één afwijkend (in dit geval HbS) en één normaal Hb-gen (HbA). Dragerschap bij het kind betekent dat één van de ouders eveneens drager is, en tevens dat de andere ouder in elk geval één normaal allel heeft, dat het aan het dragerkind heeft doorgegeven. In de redenering van Vansenne et al. is waarschijnlijk vergeten rekening te houden met het normale gen dat door één van de ouders is doorgegeven. De kans dat het gaat om een dragerpaar is dus geen 10%, zoals zij veronderstellen, maar 5%, gelijk aan de allelfrequentie. Het blijft overigens opmerkelijk dat van de 40 verwachte risico-ouderparen per jaar nog geen verwijzingen naar de klinisch-genetische centra hebben plaatsgevonden. De kans van 10% dat de andere partner drager is, zou wel gelden wanneer een moeder die drager is bij een volgende zwangerschap een willekeurige andere partner uit dezelfde populatie zou kiezen.

VU Medisch Centrum, Amsterdam

Prof.dr. Martina Cornel, hoogleraar Community Genetics & Public Health Genomics