Gepubliceerd op: 06-05-2007 (in print verschenen in week 18 2007)
Citeer dit artikel als:
 Ned Tijdschr Geneeskd. 2007;151:1016-23
Onderzoek
Schatting van de nierfunctie op grond van de creatinineklaring: bruikbaarheid van enkele formules en correctie bij obese patiënten

J.J. Apperloo

,

P.G.G. Gerlag

,

C.H. Beerenhout

en

H.L. Vader

Auteursinformatie
Máxima Medisch Centrum, Veldhoven.
Klinisch Laboratorium: mw.dr.J.J.Apperloo, klinisch chemicus (thans: VieCuri, Medisch Centrum voor Noord-Limburg, afd. Klinisch-Chemisch Hematologisch Laboratorium, Postbus 1926, 5900 BX Venlo); hr.prof.dr.ir.H.L.Vader, klinisch chemicus.
Afd. Interne Geneeskunde: hr.dr.P.G.G.Gerlag en hr.dr.C.H.Beerenhout, internisten-nefrologen.
Correspondentieadres: mw.dr.J.J.Apperloo (japperloo [at] viecuri [dot] nl).

Doel.

Nagaan welke formule het best voldoet voor schatting van de glomerulaire filtratiesnelheid (GFR): die volgens Cockcroft-Gault of die van de ‘Modification of diet in renal disease’(MDRD)-studie.

Opzet.

Beschrijvend-inventariserend.

Methode.

Met behulp van de data van 467 patiënten uit de database van het laboratoriuminformatiesysteem van het Máxima Medisch Centrum, Veldhoven, van wie lengte, gewicht en creatinineconcentratie bekend waren over een periode van 2 jaar, werden met het statistiekprogramma ‘Analyse it’ passing-bablok-regressieanalysen uitgevoerd van de met de beide formules verkregen GFR-schattingen. Daarbij werd het gedrag van beide formules in verschillende gewichtscategorieën geanalyseerd.

Resultaten.

De MDRD- en de cockcroft-gault-uitkomsten gedroegen zich identiek in de verschillende gewichtscategorieën met een goede precisie, met name wanneer in de cockcroft-gault-formule een correctie werd toegepast bij BMI-waarden > 25 kg/m2. Het feit dat de cockcroft-gault-klaringen in een groep obese patiënten zeer goede overeenkomsten lieten zien met klaringen die berekend waren conform de zogenoemde salazar-corcoran-formule, die speciaal ontwikkeld is in een obese populatie, bevestigde de validiteit van de toegepaste BMI-correctie.

Conclusie.

De cockcroft-gault- en MDRD-vergelijkingen leverden beide bruikbare schattingen van de GFR en waren als zodanig aanzienlijk geschikter dan enkel de plasmacreatinineconcentratie voor screening op de nierfunctie. De beste non-invasieve methode om een indruk te krijgen van de GFR blijft echter een goed uitgevoerde meting van de creatinineklaring door middel van een plasmamonster en 24-uursurine.

Ned Tijdschr Geneeskd. 2007;151:1016-23


Zie ook de artikelen op bl. 1002 en 1024.

Als maat voor de nierfunctie kan men de klaring van creatinine gebruiken. Deze is betrouwbaarder dan enkel de plasmaconcentratie, aangezien ze reeds sterk verminderd kan zijn voordat de plasmaconcentratie boven de referentielimiet uitkomt. Op grond van de creatinineklaring kan men de glomerulaire filtratiesnelheid (GFR) schatten. De twee formules die vandaag de dag het meest gebruikt worden voor die GFR-schatting en die in de praktijkrichtlijn van de Amerikaanse National Kidney Foundation worden aanbevolen, zijn die van Cockcroft en Gault en die van de ‘Modification of diet in renal disease’(MDRD)-studie.1

Bij patiënten met obesitas kan met name met de formule van Cockcroft en Gault nierfunctieverlies over het hoofd worden gezien door het overgewicht.

Wij onderzochten de toepasbaarheid van beide formules voor verschillende gewichtscategorieën van patiënten. Eerst schetsen wij de achtergrond van de GFR-schattingen op basis van de creatinineklaring.

schatting van de creatinineklaring

Creatinine en de nierfunctie.

Creatinine wordt gevormd als bijproduct van het skeletspiermetabolisme door een niet-enzymatische dehydratie van creatine, waarna het in het bloed terechtkomt en wordt uitgescheiden door de nieren. De hoeveelheid creatine per eenheid spiermassa is constant, wat tot gevolg heeft dat het hieruit spontaan gevormde creatinine in relatief constante concentratie in het plasma aanwezig is. Omdat de creatinineconcentratie in plasma of serum een directe afspiegeling is van de spiermassa, gelden voor mannen hogere referentiewaarden (in ons ziekenhuis 60-110 ?mol/l) dan voor vrouwen (in ons ziekenhuis 50-90 ?mol/l).

Creatinine wordt na filtratie in de glomeruli nagenoeg niet teruggeresorbeerd in de niertubuli en slechts een kleine hoeveelheid van het in de urine uitgescheiden creatinine is afkomstig van tubulaire secretie. Dankzij deze eigenschappen is creatinine een geschikte endogene marker om de GFR te bepalen, en wel via de creatinineklaring:

waarin ‘V’ staat voor ‘volume’. Gebruik van de klaring van creatinine als maat voor de nierfunctie is betrouwbaarder dan enkel de plasmaconcentratie, aangezien ze reeds sterk verminderd kan zijn voordat de plasmaconcentratie boven de referentielimiet uitkomt (figuur 1). Een normale GFR bij jongvolwassenen is 120-130 ml/min/1,73 m2. De GFR daalt met het stijgen van de leeftijd. Ondanks het ‘fysiologische’ karakter heeft deze daling toch een onafhankelijke voorspellende waarde voor bijvoorbeeld overlijden en cardiovasculaire aandoeningen en is de definitie van chronische nierziekte voor iedere leeftijd gelijk: GFR < 60 ml/min/1,73 m2. Hierbij is er sprake van verlies van > 50 van de normale ‘volwassen’ nierfunctie, resulterend in een verhoogde prevalentie van complicaties.

Schatting van de GFR op grond van de plasmacreatininewaarde.

De beste non-invasieve schatting van de GFR vormt van oudsher de exacte bepaling van de endogene creatinineklaring op basis van zorgvuldig gespaarde 24-uursurine. Omdat een 24-uursverzameling van urine praktische bezwaren kent en de nauwkeurigheid hiervan nogal eens te wensen overlaat, heeft men geprobeerd formules te ontwikkelen die enkel op basis van de reciproque plasmacreatinineconcentratie een ruwe schatting leveren van de GFR, zonder dat daarbij urineverzamelingen noodzakelijk zijn. Vele formules zijn gepubliceerd, maar geen enkele blijkt ideaal voor alle patiënten en er bestaat veel controverse over welke methoden het geschiktst zijn voor specifieke patiëntencategorieën.

De meest gebruikte formules zijn, zoals gezegd, die van Cockcroft en Gault en die genoemd in de MDRD-studie.1 Via de vergelijking van Cockcroft en Gault kan voor volwassenen een schatting van de GFR gemaakt worden op basis van de plasmacreatinineconcentratie, de leeftijd en het lichaamsgewicht als indicator voor de spiermassa, met de formule:2

Hierin geldt voor mannen een factor in de noemer van 0,81 en voor vrouwen een van 0,93. De referentiewaarden van deze geschatte GFR zijn voor de verschillende leeftijden: < 50 jaar: 105-140 ml/min; 50-80 jaar: 80-120 ml/min; > 80 jaar: 45-85 ml/min.

Daarnaast werd in 1999 de MDRD-vergelijking gepubliceerd, die was afgeleid uit de grote database (n > 1600) van de MDRD-studie, een multicentrische, gerandomiseerde trial.3 De MDRD-vergelijking maakt voor volwassenen een schatting van de GFR op basis van de plasmacreatinineconcentratie, waarin leeftijd, geslacht en ras verdisconteerd worden:

In deze formule geldt voor mannen een factor van 1, voor vrouwen een van 0,742 en voor personen van het negroïde ras een additionele factor van 1,2; de referentiewaarde is: > 90 ml/min/1,73 m2.

De formule van Cockcroft en Gault werd afgeleid in een groep niet-obese mannen met een gewicht binnen 10 van de vetvrije massa. De MDRD-formule werd daarentegen verkregen op basis van een grote, diverse patiëntenpopulatie met sterk variërende nierfuncties en is tevens gevalideerd in een afzonderlijke, even grote en diverse groep. Sommigen beschouwen daarom de MDRD-formule als de nauwkeurigste GFR-benadering van alle methoden, inclusief die met de gemeten creatinineklaring,1 3 4 ofschoon de validiteit van de MDRD-formule in geval van individuen met een ongestoorde nierfunctie ter discussie staat.5-8

Recent werd in reactie hierop een nieuwe formule gepubliceerd op basis van data van zowel gezonden als zieken, met echter als belangrijkste beperking een ondervertegenwoordiging van ouderen in de gebruikte database.9 Een recente grote studie onder 2095 Europeanen bevestigde de goede prestaties van zowel de MDRD- als cockcroft-gault-formule ten opzichte van een gouden standaard: klaring van 51Cr-edetinezuur (51Cr-EDTA),10 maar liet tevens zien dat beide formules op grond van hun gebrek aan precisie (de mate van spreiding van uitkomsten rondom een regressielijn) niet gebruikt dienen te worden voor de daadwerkelijke stadiëring van nierziekten, waarbij de MDRD-vergelijking beter presteerde dan de cockcroft-gault-vergelijking. Hoewel zowel de cockcroft-gault- als de MDRD-vergelijking slechts een globale schatting van de GFR levert en ze ieder hun beperkingen hebben, zullen ze toch bij veel patiënten voorkómen dat een relatief slechte nierfunctie, die nog gepaard gaat met een normale of hoognormale creatinineconcentratie, over het hoofd gezien wordt.

Aanbevelingen door de National Kidney Foundation.

In de praktijkrichtlijnen voor chronische nierziekten van de Amerikaanse National Kidney Foundation staan de volgende aanbevelingen met betrekking tot de klinische vaststelling van nierziekten:1

- Clinici dienen niet enkel de creatinineconcentratie in plasma of serum te gebruiken als maat voor de nierfunctie, maar een schatting van de GFR te maken met behulp van formules die gebaseerd zijn op zowel de creatinineconcentratie als leeftijd, geslacht, ras en/of lichaamsgrootte. De MDRD-vergelijking en de cockcroft-gault-vergelijking verschaffen bruikbare schattingen.

- Klinische laboratoria dienen een schatting van de GFR te rapporteren in aanvulling op de plasma- of serumcreatinineconcentratie.

Hiermee wordt beoogd de opsporing van chronische nierziekten te verbeteren.11 Daarnaast is een taxatie van de nierfunctie essentieel als het gaat om bijvoorbeeld doseringen van medicijnen.

de gfr bij overgewicht

Bij de cockcroft-gault-vergelijking wordt het lichaamsgewicht gebruikt als maat voor de spiermassa. Bij personen met een in relatie tot hun lengte normaal of laag gewicht is dit een prima bruikbare maat. Echter, in geval van overgewicht gaat de cockcroft-gault-vergelijking mank. Twee fictieve voorbeelden laten dit zien:

(a) een plasmacreatinineconcentratie van 70 ?mol/l levert bij een 50-jarige man van 70 kg een cockcroft-gault-klaring van 111 ml/min, maar bij een man van dezelfde leeftijd van 130 kg een klaring van 206 ml/min (de MDRD-klaring is bij beide personen 110 ml/min/1,73 m2);

(b) een plasmacreatinineconcentratie van 110 ?mol/l levert bij een 50-jarige man van 70 kg een cockcroft-gault-klaring van 70 ml/min, maar bij een man van dezelfde leeftijd van 130 kg een klaring van 131 ml/min (de MDRD-klaring is bij beide personen 65 ml/min/1,73 m2).

In het eerste geval is er sprake van een niet-afwijkende nierfunctie en wordt bij de obese man door de valse suggestie van een enorme spiermassa een suprafysiologische klaring verkregen via de cockcroft-gault-vergelijking. In het tweede voorbeeld wordt in de cockcroft-gault-berekening het nierfunctieverlies gemaskeerd door het overgewicht, wat uiteraard een groter risico op foutdiagnostiek met zich meebrengt. In beide voorbeelden is de MDRD-vergelijking te verkiezen boven de cockcroft-gault-vergelijking, hoewel de MDRD-vergelijking uiteraard ook weer haar eigen beperkingen kent.

Wij onderzochten de toepasbaarheid van beide formules voor verschillende gewichtscategorieën van patiënten.

patiëntgegevens en methoden

Wij toetsten de bruikbaarheid van de cockcroft-gault- en de MDRD-formule door hen in verschillende populaties te analyseren. Als het gaat om de bruikbaarheid van een formule is de precisie (hier te beschouwen als de mate van spreiding van punten rondom een regressielijn) tenminste zo belangrijk als de nauwkeurigheid (te beschouwen als afwijking ten opzichte van een gouden standaard voor de klaring).10 De nauwkeurigheid kan desgewenst bijgesteld worden, hetzij door aanpassing van referentiewaarden, hetzij door invoering van een extra factor.

Wij maakten gebruik van een populatie van 467 patiënten uit de database van het laboratoriuminformatiesysteem van het Máxima Medisch Centrum, van wie lengte, gewicht en creatinineconcentratie bekend waren over een periode van 2 jaar. Met het statistiekprogramma ‘Analyse it’ werden passing-bablok-regressieanalysen uitgevoerd. Dit betreft een non-parametrische regressiemethode, waarbij imprecisie in beide variabelen wordt verondersteld.12 Een nuttige eigenschap van deze procedure is dat de regressielijn weinig beïnvloed wordt door uitbijters.

Het totale filtratieoppervlak van de nieren wordt verondersteld redelijk gecorreleerd te zijn met het lichaamsoppervlak. Een genormaliseerde klaring kan zodoende worden verkregen door een individuele klaring om te rekenen naar een gemiddeld lichaamsoppervlak (1,73 m2). De MDRD-formule levert rechtstreeks klaringen in ml/min/1,73 m2. Voor de cockcroft-gault-formule, die klaringen verschaft in ml/min, kan deze normalisatie verkregen worden door voor iedere patiënt het lichaamsoppervlak (in m2) te berekenen aan de hand van het gewicht en de lengte, en de cockcroft-gault-klaring te vermenigvuldigen met {1,73 × (lichaamsoppervlak)–1}. Hiervoor zijn nomogrammen en formules beschikbaar. Wij maakten gebruik van de formule van Mosteller:13

Wij keken naar de effecten van het feit dat het lichaamsgewicht als maat voor de spiermassa wel in de cockcroft-gault-, maar niet in de MDRD-klaring verdisconteerd wordt. Hiertoe hebben wij onze populatie opgedeeld in gewichtscategorieën van 40-59 kg, 60-79 kg, 80-99 kg en ? 100 kg. Per categorie werden de correlaties tussen de cockcroft-gault- en de MDRD-klaringen in kaart gebracht. De ‘body mass index’ (BMI, dit is massa in kg/lengte in m2) is een betere indicator voor overgewicht of obesitas dan enkel het lichaamsgewicht: doorgaans wordt gesproken van overgewicht bij BMI-waarden van 25-30 kg/m2 en van obesitas bij BMI-waarden > 30 kg/m2. Het lijkt plausibel te veronderstellen dat de spiermassa van een persoon met overgewicht of obesitas niet significant groter is dan de spiermassa van een persoon met dezelfde lengte, maar met een gezond gewicht (BMI ? 25 kg/m2).

Bij personen met een BMI > 25 kg/m2 berekenden wij met behulp van de lengte van de betreffende persoon het gewicht dat zou horen bij een BMI van 25 kg/m2 met de formule: gewicht in kg = 25 × lengte in m2. Dit gewicht en het bijbehorende lichaamsoppervlak via de formule van Mosteller werden vervolgens gebruikt om een voor de BMI gecorrigeerde cockcroft-gault-klaring per 1,73 m2 te berekenen.

De creatinineconcentraties waren bepaald op een Modular-analyser (Roche Diagnostics, Almere) met behulp van een enzymatische methode.

resultaten en beschouwing

Correlaties tussen de cockcroft-gault- en de MDRD-schattingen.

Figuur 2a laat de correlatie zien tussen de klaringen geschat op basis van de MDRD- en de cockcroft-gault-vergelijking in de totale populatie, waarbij een aanzienlijke mate van spreiding zichtbaar is, dat wil zeggen een slechte precisie. Bij nadere inspectie van de hellingen van de regressielijnen voor een aantal subpopulaties (gewichtscategorieën van 40-59 kg, 60-79 kg, 80-99 kg en ? 100 kg) werd duidelijk dat hoe hoger het gewicht was, hoe groter de discrepanties waren tussen beide benaderingen (tabel): bij hoger wordende gewichten leverde de cockcroft-gault-formule duidelijk hogere klaringen dan de MDRD-formule. Om beide klaringen werkelijk met elkaar te vergelijken, diende de cockcroft-gault-klaring evenals de MDRD-klaring uitgedrukt te worden per standaardlichaamsoppervlak (ml/min/1,73 m2). Na de normalisatieprocedure waren de cockcroft-gault-klaringen in de obese populatie echter nog steeds aanzienlijk hoger dan die in de populatie met normaal gewicht (zie de tabel). Vervolgens werd rekening gehouden met het hogere lichaamsoppervlak bij obese personen en nu namen de discrepanties tussen beide benaderingen af met hogere lichaamsgewichten, maar dit was niet voldoende. Dit hangt waarschijnlijk samen met het feit dat het lichaamsoppervlak evenredig is met ‘slechts’ de wortel van het lichaamsgewicht. In figuur 2b valt voor de gehele populatie op dat de spreiding van de resultaten door normalisatie weliswaar afnam, maar nog steeds vrij groot was.

BMI-correctie in de cockcroft-gault-formule.

Een hoog gewicht dient uiteraard niet gelijkgesteld te worden aan overgewicht of obesitas, noch een relatief laag gewicht aan de afwezigheid hiervan. Een betere indicator is, zoals gezegd, de BMI. In de verschillende door ons gedefinieerde gewichtsklassen kwamen sterk fluctuerende BMI-waarden voor (40-59 kg: BMI = 15-26 kg/m2; 60-79 kg: BMI = 20-34 kg/m2; 80-99 kg: BMI = 22-40 kg/m2; ? 100 kg: BMI = 26-58 kg/m2). Zelfs in de gewichtsklasse van 60-79 kg kwamen dus overgewicht en obesitas voor, en leek het lichaamsgewicht geen optimale indicator voor de spiermassa.

Bij een BMI > 25 kg/m2 pasten wij, zoals gezegd, een BMI-correctie toe. Dit leverde een belangrijke additionele toename van de precisie op ten opzichte van enkel normalisatie naar een lichaamsoppervlak van 1,73 m2 (zie figuur 2c versus 2b). De tabel laat zien dat de 3 hoogste gewichtsklassen zich nu identiek gedroegen, dat wil zeggen dat de regressielijnen geen significante verschillen toonden, hetgeen pleit vóór de algemene bruikbaarheid van beide vergelijkingen om een ruwe indicatie te geven van de nierfunctie.

Vanuit het besef dat het lichaamsgewicht als maat voor de spiermassa bij overgewicht niet representatief is, zijn al eerder correctieprocedures voorgesteld, zoals het gebruik van de vetvrije massa (al dan niet +20-40 van het overmatige gewicht), normalisatie naar 72 kg, en normalisatie naar een lichaamsoppervlak van 1,73 m2 (zoals hierboven niet afdoende bleek te zijn),14 elk met zijn eigen beperkingen. In de gemodificeerde cockcroft-gault-formule werd het totale lichaamsgewicht vervangen door het vetvrije gewicht (waarnaast de formule ongewijzigd bleef), maar dit leidde tot een forse onderschatting van de nierfunctie.2 15

Salazar en Corcoran ontwikkelden een formule speciaal voor obese patiënten, gebaseerd op vetvrije massa’s die berekend werden aan de hand van een empirische formule en gecorreleerd aan een gemiddelde creatinine-excretie in 24-uursurine:16

voor mannen; voor vrouwen worden de waarden 137, 0,285, 12,1 en 0,576 vervangen door respectievelijk 146, 0,287, 9,74 en 0,678.

De initiële bevindingen lieten zien dat deze formule de creatinineklaring even goed benaderde als een aantal andere formules bij individuen met normaal gewicht, en aanzienlijk beter bij obese individuen. Dit werd bevestigd in een retrospectieve studie, waarin klaringen geschat met 10 verschillende formules werden vergeleken met een exact gemeten creatinineklaring.15 Ook in andere categorieën van patiënten (ouderen, patiënten met hypoalbuminemie, chronisch nierfalen en een lage serumcreatininewaarde, en diabetici) kwam deze formule samen met de cockcroft-gault-formule als beste naar voren wat betreft zowel precisie als bias. De MDRD-vergelijking was ten tijde van deze studie nog niet gepubliceerd.

Bij vergelijking van de voor BMI gecorrigeerde cockcroft-gault-resultaten in de obese groep met de salazar-corcoran-resultaten, zagen wij een verrassend goede overeenkomst (y = x), met een verwaarloosbare imprecisie (figuur 3). Dit bevestigde de validiteit van onze BMI-correctieprocedure.

Evenzo keken wij naar het gedrag van de salazar-corcoran-formule in de andere gewichtscategorieën (zie de tabel); daarbij viel op dat ook voor deze formule geldt dat het gedrag ten opzichte van zowel de cockcroft-gault- als de MDRD-vergelijking in de 3 hoogste gewichtscategorieën identiek was, hetgeen impliceerde dat ook dit een goed bruikbare formule is, ofschoon de bekendheid ervan beperkt is. Ten behoeve van de onderlinge vergelijkbaarheid werden de klaringen uitgedrukt per 1,73 m2. Men dient zich echter te realiseren dat voor een actuele klaring, bijvoorbeeld voor geneesmiddeldoseringen, de klaring vermenigvuldigd dient te worden met {het lichaamsoppervlak van de patiënt/1,73}. Dit bevestigt tevens dat de actuele klaringen hoger zijn voor obese patiënten, wat in overeenstemming is met de bevindingen van hogere niermassa’s in deze groep.17 18

MDRD- of (gecorrigeerde) cockcroft-gault-formule?

Gezien het gebruiksgemak van de MDRD-vergelijking lijkt rapportage met de MDRD-klaring te verkiezen boven die van een voor BMI gecorrigeerde cockcroft-gault-klaring (of klaring volgens Salazar en Corcoran) als het gaat om patiënten met een relatief normale spiermassa. Dit ongeacht de aan- of afwezigheid van overgewicht of obesitas: dit betreft de overgrote meerderheid van de populatie. Bij een sterk afwijkende spiermassa, zowel bij bodybuilders als bij personen met een laag lichaamsgewicht (ongeacht de hoogte van de BMI), verschaft de cockcroft-gault-vergelijking vermoedelijk betrouwbaarder klaringen dan de MDRD-vergelijking. Zo achten wij het voor de laagste gewichtsklasse (40-59 kg) in de tabel aannemelijk dat de lagere klaringen bepaald met behulp van de cockcroft-gault-vergelijking realistischer zijn dan de hogere MDRD-klaringen. Immers, bij een lage (spier)massa hoort een relatief lage creatinineconcentratie; in de MDRD-vergelijking wordt deze creatinineconcentratie als het ware beoordeeld alsof deze afkomstig is van een gemiddelde, normale persoon, wat een overschatting van de nierfunctie impliceert. Dit is in overeenstemming met recente bevindingen waarbij in een subgroep van patiënten met BMI’s < 18,5 kg/m2 een forse onderschatting werd gezien van de MDRD-klaring ten opzichte van de gouden standaard: de 51Cr-EDTA-klaring.10 De tabel laat zien dat het gedrag van de salazar-corcoran-klaring ten opzichte van de MDRD-klaring in de subgroep 40-59 kg hetzelfde was als voor de 3 hogere gewichtscategorieën. Dit suggereert dat ook de salazar-corcoran-klaring in de groep met ondergewicht een overschatting gaf van de klaring. Dat deze suggestie juist is, blijkt wanneer wij ons nader focussen op de achtergrond van de salazar-corcoran-formule: deze gaat uit van een vetvrije massa, die wordt gecorreleerd aan een 24-uursurinecreatinine-uitscheiding. De vetvrije massa wordt berekend met behulp van een empirische formule van Garrow en Webster:19

waarbij voor mannen geldt: A = 0,715 en B = 12,1 en voor vrouwen: A = 0,713 en B = 9,74.

Als wij voor een man met een lengte van 1,70 m de vetvrije massa uitzetten als functie van het lichaamsgewicht (figuur 4) zien we dat bij afnemende gewichten de vetvrije massa overschat wordt; op een gegeven moment wordt deze zelfs hoger dan het actuele lichaamsgewicht. Dit verklaart dat de formule van Salazar en Corcoran in de laagste gewichtscategorie in feite met een te hoog gewicht rekent, wat leidt tot een overschatting van de klaring. Daarnaast lijkt het plausibel dat bij de categorie gespierde sporters de niet voor BMI gecorrigeerde cockcroft-gault-klaring de werkelijkheid dichter zal benaderen dan de MDRD-klaring. Bij gebrek aan een beter alternatief zou het een optie zijn om bij BMI’s > 25 kg/m2 2 klaringen te rapporteren en te voorzien van een opmerking over de meest realistische optie. Dit om te voorkomen dat mensen die wél werkelijk een grote spiermassa hebben en bijbehorend een hoge serumcreatinineconcentratie onnodig ongerust worden gemaakt met vermeend nierfalen. Deze werkwijze kan echter alleen gerealiseerd worden wanneer gewicht en lengte door de aanvrager ingevuld worden op het aanvraagformulier.

Toch maar urine verzamelen?

Het feit dat beide vergelijkingen de GFR slechts ruwweg benaderen, kan desalniettemin niet ongedaan gemaakt worden. De beste non-invasieve wijze om een indruk te krijgen van de GFR blijft – onzes inziens – uiteindelijk toch de klassieke meting van de creatinineklaring, bij voorkeur in 2 24-uursurineverzamelingen. Omdat de spiermassa niet verandert, dient de creatinine-uitscheiding per 24 uur, ongeacht de hoeveelheid urine, hetzelfde te zijn. In dat geval is er op juiste wijze urine gespaard en kan de creatinineklaring verantwoord worden berekend.

conclusies

De cockcroft-gault- en de MDRD-vergelijkingen leveren beide bruikbare schattingen van de GFR en zijn als zodanig aanzienlijk geschikter dan enkel de plasmacreatinineconcentratie voor screening op de nierfunctie. Beide formules hebben hun beperkingen en de verkregen GFR-schattingen dienen niet als absolute waarde geïnterpreteerd te worden. Zo gebruikt de cockcroft-gault-formule het lichaamsgewicht als maat voor de spiermassa, met als resultaat dat er bij personen met overgewicht of obesitas, een groeiende groep, foutief verhoogde klaringen worden gevonden. Wanneer een BMI-correctie wordt toegepast bij cockcroft-gault-klaringen voor individuen met een BMI > 25 kg/m2, blijken de cockcroft-gault- en de MDRD-klaringen zich identiek te gaan gedragen voor alle gewichtscategorieën ? 60 kg en wordt een grote toename in de precisie van de cockcroft-gault-klaring waargenomen. Deze waarneming pleit voor de algemene toepasbaarheid van beide formules en in het bijzonder voor de MDRD-formule, die aanzienlijk praktischer in gebruik is. De voornaamste beperking van de MDRD-vergelijking is dat deze uitgaat van een persoon met een standaardnormaal gewicht en daardoor tot overschattingen van de nierfunctie zal leiden bij personen met ondergewicht en tot onderschattingen van de nierfunctie bij gespierde sporters. Bij dergelijke categorieën patiënten met een afwijkende spiermassa dient een arts extra oplettend te zijn bij de interpretatie van geschatte (MDRD-)klaringen.

De beste non-invasieve methode om een indruk te krijgen van de GFR blijft in onze ogen echter een goed uitgevoerde meting van de creatinineklaring door middel van een plasmamonster en 24-uursurine.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.


Aanvaard op 24 August 2006

Literatuur
  1. Levey AS, Coresh J, Balk E, Kausz AT, Levin A, Steffes MW, et al. National Kidney Foundation practice guidelines for chronic kidney disease: evaluation, classification, and stratification. Ann Intern Med. 2003;139:137-47.

  2. Cockcroft DW, Gault MH. Prediction of creatinine clearance from serum creatinine. Nephron. 1976;16:31-41.

  3. Levey AS, Bosch JP, Lewis JB, Greene T, Rogers N, Roth D. A more accurate method to estimate glomerular filtration rate from serum creatinine: a new prediction equation. Modification of Diet in Renal Disease Study Group. Ann Intern Med. 1999;130:461-70.

  4. Levey AS, Greene T, Kusek JW, Beck GJ. A simplified equation to predict glomerular filtration rate from serum creatinine abstract. J Am Soc Nephrol. 2000;11:A0828.

  5. Lin J, Knight EL, Hogan ML, Singh AK. A comparison of prediction equations for estimating glomerular filtration rate in adults without kidney disease. J Am Soc Nephrol. 2003;14:2573-80.

  6. Stevens LA, Levey AS. Clinical implications of estimating equations for glomerular filtration rate. Ann Intern Med. 2004;141:959-61.

  7. Rule AD, Gussak HM, Pond GR, Bergstralh EJ, Stegall MD, Cosio FG, et al. Measured and estimated GFR in healthy potential kidney donors. Am J Kidney Dis. 2004;43:112-9.

  8. Bertolatus JA, Goddard L. Evaluation of renal function in potential living kidney donors. Transplantation. 2001;71:256-60.

  9. Rule AD, Larson TS, Bergstralh EJ, Slezak JM, Jacobsen SJ, Cosio FG. Using serum creatinine to estimate glomerular filtration rate: accuracy in good health and in chronic kidney disease. Ann Intern Med. 2004;141:929-37.

  10. Froissart M, Rossert J, Jacquot C, Paillard M, Houillier P. Predictive performance of the modification of diet in renal disease and Cockroft-Gault equations for estimating renal function. J Am Soc Nephrol. 2005;16:763-73.

  11. Parmar MS. Chronic renal disease. BMJ. 2002;325:85-90.

  12. Passing H, Bablok W. A new biometrical procedure for testing the equality of measurements from two different analytical methods. Application of linear regression procedures for method comparison studies in clinical chemistry. Part I. J Clin Chem Clin Biochem. 1983;21:709-20.

  13. Mosteller RD. Simplified calculation of body-surface area. N Engl J Med. 1987;317:1098.

  14. Verhave JC, Gansevoort RT, Hillege HL, Zeeuw D de, Curhan GC, Jong PE de. Drawbacks of the use of indirect estimates of renal function to evaluate the effect of risk factors on renal function. J Am Soc Nephrol. 2004;15:1316-22.

  15. Spinler SA, Nawarskas JJ, Boyce EG, Connors JE, Charland SL, Goldfarb S. Predictive performance of ten equations for estimating creatinine clearance in cardiac patients. Iohexol Cooperative Study Group. Ann Pharmacother. 1998;32:1275-83.

  16. Salazar DE, Corcoran GB. Predicting creatinine clearance and renal drug clearance in obese patients from estimated fat-free body mass. Am J Med. 1988;84:1053-60.

  17. Stockholm KH, Brochner-Mortensen J, Hoilund-Carlsen PF. Increased glomerular filtration rate and adrenocortical function in obese women. Int J Obes. 1980;4:57-63.

  18. Naeye RL, Roode P. The sizes and numbers of cells in visceral organs in human obesity. Am J Clin Pathol. 1970;54:251-3.

  19. Garrow JS, Webster J. Quetelet’s index (W/H2) as a measure of fatness. Int J Obes. 1985;9:147-53.

Reactie toevoegen

Er zijn nog geen reacties geplaatst.