Print dit artikel
Home
Gepubliceerd op: 05-05-2000 (in print verschenen in week 18 2000)
Citeer dit artikel als:
 Ned Tijdschr Geneeskd. 2000;144:850-4
Casuïstiek
Posttraumatische syringomyelie bij 2 patiënten met een thoracale dwarslaesie

A.E. Bollen

,

E.W. Hoving

en

J.B.M. Kuks

Auteursinformatie
Academisch Ziekenhuis, Postbus 30.001, 9700 RB Groningen.
Afd. Neurologie: mw.A.E.Bollen, assistent-geneeskundige; dr.J.B.M. Kuks, neuroloog.
Afd. Neurochirurgie: dr.E.W.Hoving, neurochirurg.
Correspondentieadres: mw.A.E.Bollen.

Bij 2 patiënten, mannen van 42 en 40 jaar, ontstonden nieuwe neurologische symptomen 3 maanden respectievelijk 22 jaar na een hoogthoracale traumatische dwarslaesie. Op de MRI-scan was een holte centraal in het myelum te zien, waarop de diagnose ‘posttraumatische syringomyelie’ kon worden gesteld. Bij de ene patiënt werd een syringo-arachnoïdale drain aangelegd met goed resultaat, bij de andere was dat niet mogelijk vanwege een bijkomende thoracale kyfose. Posttraumatische syringomyelie is een potentieel levensbedreigende late complicatie van een ruggenmergtrauma en manifesteert zich door het ontstaan van nieuwe neurologische symptomen na een variabel tijdsinterval. Gedissocieerde sensibiliteitsuitval, die zo karakteristiek is voor niet-traumatische syringomyelie, kan bij posttraumatische syringomyelie ontbreken. Behandeling is geïndiceerd bij progressieve neurologische symptomen en bestaat meestal uit draineren van de syrinx.


Beschadiging van wervelkolom en ruggenmerg kan tot aanzienlijke neurologische uitval leiden onder het niveau van de laesie. De ernst kan variëren van een voorbijgaand myelumsyndroom tot een blijvende complete dwarslaesie. Wanneer na verloop van tijd nieuwe neurologische klachten optreden, dient men bedacht te zijn op posttraumatische syringomyelie, vooral wanneer de klachten passen bij uitval boven het niveau van de oorspronkelijke laesie.

Bij posttraumatische syringomyelie is in het ruggenmerg een holte (syrinx (Grieks): buisvormige structuur) ontstaan, die zich vanaf de plaats van het oorspronkelijke trauma uitbreidt, meestal naar craniaal. Een syrinx is niet altijd het gevolg van een trauma, maar komt voor bij andere medullaire afwijkingen, zoals tumoren, of als aangeboren stoornis, bijvoorbeeld bij een Arnold-Chiari-malformatie.

Een dergelijke niet-traumatische syringomyelie leidt tot uitval in het centrale ruggenmerg, waar de kruisende pijn- en temperatuurszinbanen en de spinale reflexbogen lopen. Daardoor zijn de meest karakteristieke symptomen verlies van pijn- en temperatuurszin en areflexie in de segmenten waarover de syrinx zich uitstrekt. Een dergelijke sensibele stoornis, waarbij een afwezige pijnzin gepaard gaat met een intacte tastzin, wordt een gedissocieerde sensibiliteitsstoornis genoemd. Bij verdere uitbreiding van de holtevorming naar lateraal kunnen de motorische voorhoorncellen in het proces worden betrokken, met als gevolg paresen en atrofie. Bij uitbreiding naar de zijhoorn van de centrale grijze stof kunnen de sympathische vezels worden aangetast en ontstaan er trofische stoornissen van huid en gewrichten. Tenslotte kunnen piramidebaanverschijnselen (spastische parese) en achterstrengstoornissen (verlies van diepe gevoel en tastzin) ontstaan.1

Bij posttraumatische syringomyelie kunnen de symptomen minder klassiek verlopen en meer gevarieerd zijn. De gedissocieerde sensibiliteitsstoornis als beschreven kan zelfs ontbreken. Met de volgende ziektegeschiedenissen willen wij de uiteenlopende symptomen illustreren en de therapeutische dilemma's beschrijven.

ziektegeschiedenissen

Patiënt A, een 42-jarige man, kreeg 6 jaar eerder een complete traumatische dwarslaesie bij comminutieve fracturen van de 4e en 5e thoracale wervel. Chirurgische interventie was gezien de aard van de fracturen niet mogelijk. Patiënt werd gedurende 3 maanden geïmmobiliseerd met behulp van een zogenaamd kantelbed. Tijdens de 3e maand kreeg hij in toenemende mate last van aanvalsgewijze hevige pijn in de rechter arm die hij beschreef als ‘enkele tellen durende kiespijn’. Bij neurologisch onderzoek werd naast het beeld van de bekende dwarslaesie onder het segment ThIV nu als nieuwe bevinding een afwezige pijnzin van CIV tot en met ThIV rechts gevonden, bij een intacte tastzin. Ook de spierrekkingsreflexen waren aan de rechter arm afwezig, terwijl ze links goed op te wekken waren. Een MRI-scan toonde een syrinx aan, die zich uitbreidde van ThV tot aan CI (figuur 1a), waarmee de klinische diagnose ‘posttraumatische syringomyelie’ bevestigd werd. Vanwege de pijnklachten werd besloten tot drainage van de syrinx door een syringo-arachnoïdale shunt te plaatsen na een laminectomie van CV tot en met CVII. De hinderlijke pijnscheuten verdwenen hierdoor, maar de beschreven uitval bleef bestaan. Op een controle-MRI-scan 2 maanden later bleek de syrinx afgenomen te zijn in diameter (zie figuur 1b).

In de daaropvolgende jaren kreeg de patiënt veel last van spasmen van beide benen. Een controle-MRI-scan 2 jaar na het ongeval liet geen veranderingen zien. Patiënt werd behandeld met het spierrelaxans baclofen. Nog 2 jaar later kreeg patiënt beiderzijds progressief krachtsverlies van de kleine handspieren. MRI toonde een toegenomen diameter van de de syrinx. Na laminectomie van de wervels ThI en ThII werd een tweede syringo-arachnoïdale drain ingebracht. Postoperatief was er direct verbetering van kracht in de kleine handspieren, maar na enkele dagen nam de parese weer iets toe. Nadien trad geen verdere verslechtering op. Een controle-MRI-scan liet 4 maanden later een min of meer ongewijzigd beeld zien van de gedraineerde syrinx ten opzichte van de vorige scan, 2 jaar eerder. Patiënt is rolstoelgebonden, maar zelfstandig wat betreft algemene dagelijkse levensverrichtingen.

Patiënt B, een man van 40 jaar, kreeg op 18-jarige leeftijd door een brommerongeval een compressiefractuur van wervel ThV met daarbij een partiële motorische dwarslaesie. Omdat spontaan herstel uitbleef, werd na 2 weken een laminectomie van de wervels ThIV tot en met ThVII verricht, waardoor het myelum werd gedecomprimeerd. Patiënt herstelde in de volgende twee maanden vrijwel geheel. Alleen bleef zijn linker been sindsdien iets minder krachtig.

Meer dan 20 jaar later kwam hij opnieuw op het neurologische spreekuur vanwege twee klachten: sinds 3 jaar was hij geleidelijk meer gaan slepen met het linker been; tevens had hij - vooral 's nachts - last van spierschokken in zijn benen, links meer dan rechts. Er waren anamnestisch geen andere neurologische uitvalsverschijnselen. Neurologisch onderzoek liet de volgende afwijkingen zien: spastische hypertonie van het linker been zonder duidelijke paresen en een licht gestoorde gnostische sensibiliteit van het linker been. De spierrekkingsreflexen aan de benen waren hoger dan aan de armen, met een clonus van de achillespeesreflex beiderzijds. De voetzoolreflex links verliep volgens Babinski. Een MRI-scan van de thoracolumbale wervelkolom liet een wigvormige afplatting zien van wervel ThV met ter plaatse een angulaire kyfose. In het myelum, dat zich over de kyfose heen spande, bevond zich een syrinx, van ThIV tot en met ThVI (figuur 2). De diagnose ‘posttraumatische syringomyelie’ werd gesteld. Gezien de progressie van de klachten werd chirurgische interventie overwogen, maar in overleg met de neurochirurg en de orthopedisch chirurg ontstond de overtuiging dat syrinxdrainage zonder kyfosecorrectie niet zinvol zou zijn. Omdat correctie van de kyfose te riskant werd geacht en de kans op herstel onzeker zou zijn, werd besloten tot een expectatief beleid.

De volgende jaren namen de klachten van de patiënt geleidelijk aan iets toe, met name kreeg hij links een lichte parese (graad 4 op de schaal voor spierkracht volgens de Medical Research Council) van de M. iliopsoas en van de voetheffers. Herhaalde MRI-scans lieten geen duidelijke toename van de syrinx zien. De neurologische toestand bleef stabiel, waarbij patiënt last hield van met name de spierschokken, die medicamenteus niet goed te beïnvloeden waren.

beschouwing

Posttraumatische syringomyelie is sinds het einde van de 19e eeuw als klinische entiteit bekend. Sinds Barnett hieraan in 1966 een overzichtsartikel wijdde, is de diagnose steeds vaker gesteld.2 De toenemende levensduur van patiënten met een dwarslaesie en de opkomst van betere diagnostische mogelijkheden (MRI) spelen hierbij een rol.34 In 1996 werd onder dwarslaesiepatiënten een prevalentie van 4,5 gevonden.5 In een groep van 75 patiënten met een traumatische myelumbeschadiging bleek overigens bij 28 een syrinx aanwezig bij routinematig MRI-onderzoek.6

Het interval tussen het trauma en het optreden van posttraumatische syringomyelie varieert sterk, van 1 maand tot niet minder dan 34 jaar.57-13 Volgens de meeste auteurs komt posttraumatische syringomyelie vaker voor na een complete dan na een incomplete dwarslaesie en vaker bij een thoracale dan bij een cervicale lokalisatie.57-9 1213 Ook is posttraumatische syringomyelie wel beschreven na een wervelfractuur zonder neurologische uitval en na een klinisch geheel herstelde myelumcontusie.14 15

De lengte van de syrinx kan zeer variëren; de uitbreiding is meestal naar craniaal.1012 13 Zelfs bij een laesie in het lumbale merg kan uitbreiding tot in het cervicale merg optreden. Indien er uitbreiding is tot in de hersenstam, spreekt men van syringobulbie.

Opvallend is dat slechts enkele onderzoeken refereren aan het ontstaan van een kyfose ter plaatse van het (thoracale) letsel.5 616 De combinatie kyfose en posttraumatische syrinx maakt het kiezen van de juiste behandelingsstrategie extra lastig, zoals bij patiënt B het geval was. Recentelijk werd wel een positieve correlatie gevonden tussen het vóórkomen van een syrinx en een wervelkanaalstenose ter plaatse van de oorspronkelijke laesie. Hiermee wordt nog eens het belang van primaire repositie van een fractuur benadrukt, daarmee een latere stenose kan worden voorkomen.616

Pijn komt in 50-75 van de gevallen voor.5 7-91213 Deze is zeurend of brandend, meestal gelokaliseerd in het oorspronkelijk gelaedeerde segment en neemt toe bij drukverhogende momenten.58 9 In 40-70 van de gevallen treden de typische gedissocieerde gevoelsstoornissen op.5 9 Toename van motorische uitval wordt in 24-70 van de gevallen gerapporteerd en toename van spasticiteit in 18-60.58 91213 Andere symptomen kunnen zijn: hyperhydrosis, blaas-darmfunctiestoornissen, hoofdpijn, een Horner-syndroom en neurogene artropathie; hersenzenuwuitval kan voorkomen wanneer er sprake is van een syringobulbie. Hersenzenuwuitval, maar ook uitval van de diafragmafunctie (C4), kan levensbedreigend zijn. Enkele auteurs vinden een relatie tussen de lengte van de syrinx en de ernst van de symptomen; een verband met de diameter werd echter niet gevonden.513

Spontane verbetering is beschreven, maar meestal blijft het beeld stabiel of treedt er verdere verslechtering op, in de zin van toename van de uitval of van de pijn boven het niveau van de oorspronkelijke laesie.1013 Differentiaaldiagnostisch moet een zogenaamde posttraumatische myelomalacie worden overwogen, waarbij op de MRI-scan alleen myelopathische veranderingen (ophelderingen en microcysten in het ruggenmerg) op het niveau van de oorspronkelijke laesie worden gezien.17 Voorts kan er myelopathie ontstaan ten gevolge van secundaire traumatische wervelkolomafwijkingen, zoals een kyfose. Tenslotte dient men bij het ontstaan van gevoelsstoornissen in de handen bij een patiënt met een dwarslaesie bedacht te zijn op een mononeuropathie, bijvoorbeeld van de N. medianus, als gevolg van overbelasting van de armen.

De pathofysiologie van het ontstaan van posttraumatische syringomyelie is niet geheel opgehelderd. Waarschijnlijk ontstaat de syrinx in twee stappen: ter plaatse van het letsel vormt zich een cyste door resorptie van een intramedullair hematoom, en/of door vervloeiing van necrotisch weefsel. Mogelijk speelt ook ischemie een rol, aangezien de syrinx vaak ontstaat in de relatief slecht gevasculariseerde zone tussen achterhoorn en achterstreng.18 Tevens kan door een posttraumatische arachnoïditis en/of littekenvorming ter plaatse van het letsel verkleving van het myelum ontstaan, waardoor de perimedullaire liquorcirculatie belemmerd wordt. Bij de tweede stap expandeert de cyste. Volgens de ‘slosh and suck’-theorie van Williams speelt hier de epidurale veneuze drukgolf een belangrijke rol: door de belemmering van de liquorcirculatie wordt deze drukgolf direct voortgeplant in het myelum, waarbij de cyste-inhoud op en neer beweegt met de veneuze drukveranderingen (‘slosh’) en de liquor aan het einde van de drukgolf het myelum wordt ‘ingezogen’ door de relatief lage druk (‘suck’).7 Belangwekkend is dat bij dierproeven met konijnen alleen een syrinx ontstond, wanneer er zowel een myelumletsel was als arachnoïditis.19

Bij progressieve invaliderende symptomen is operatie meestal aangewezen. Chirurgische interventie bestaat doorgaans uit het aanleggen van een shunt waarbij de inhoud van de syrinx wordt gedraineerd naar meestal de subarachnoïdale ruimte, maar soms ook de pleurale, peritoneale of cisternale ruimte. Adhesiolyse van het myelum kan nodig zijn. Bij patiënten met een complete dwarslaesie wordt het myelum wel eens geheel doorsneden boven de syrinx om verdere uitbreiding te voorkomen.1012 De meerderheid van de patiënten verbetert na operatie, vooral waar het gaat om pijn en motorische uitval.59 12 Anderen zijn wat meer gematigd in hun enthousiasme over de effecten van operatie.2021 Indien er bijkomende wervelafwijkingen zijn, kan het kiezen van de juiste behandelingsstrategie moeilijkheden opleveren, zoals de geschiedenis van patiënt B illustreert. Het klinische beloop bij patiënt A is vrij typisch voor posttraumatische syringomyelie. Bij patiënt B kan men zich afvragen of het beeld werkelijk veroorzaakt werd door posttraumatische syringomyelie of door myelopathie bij de thoracale kyfose. Zoals hier beschreven, pleiten de symptomen met afwezigheid van sensibele verschijnselen niet tegen posttraumatische syringomyelie en vergelijkbare beelden zijn ook zonder begeleidende wervelkolomafwijkingen beschreven. De casus illustreert goed het therapeutische dilemma bij een dergelijk gecompliceerd beeld. Bij de keuze van behandeling zijn wij ervan uitgegaan dat posttraumatische syringomyelie niet de enige oorzaak van de symptomen was.

Geconcludeerd kan worden dat het ontstaan van nieuwe neurologische symptomen na een ruggenmergtrauma in de richting wijst van posttraumatische syringomyelie, ook al vertoont het klinische beeld niet alle kenmerken van een niet-traumatische ‘klassieke’ syringomyelie. Bij vermoeden van posttraumatische syringomyelie is MRI-onderzoek van het myelum geïndiceerd. Therapeutische interventie is alleen mogelijk door middel van operatie, maar over de resultaten hiervan zijn de meningen niet eensluidend.


Aanvaard op 13 January 2000

Literatuur
  1. Oosterhuis HJGH. Klinische neurologie. 13e herz. dr.Houten: Bohn Stafleu Van Loghum; 1997. p. 310-2.

  2. Barnett, HJ, Botterell EH, Jousse AT, Wynne-Jones M.Progressive myelopathy as a sequel to traumatic paraplegia. Med Serv J Can1966;22:631-50.

  3. Asbeck FWA van. Handboek dwarslaesierevalidatie. Houten:Bohn Stafleu Van Loghum; 1998. p. 7.

  4. Hartkopp A, Bronnum-Hansen H, Seidenschnur AM,Biering-Sorensen F. Survival and case of death after traumatic spinal cordinjury. A long-term epidemiological survey from Denmark. Spinal Cord1997;35:76-85.

  5. Schurch B, Wichmann W, Rossier AB. Post-traumaticsyringomyelia (cystic myelopathy): a prospective study of 449 patients withspinal cord injury. J Neurol Neurosurg Psychiatry 1996;60:61-7.

  6. Perrouin-Verbe B, Lenne-Aurier K, Robert R,Auffray-Calvier E, Richard I, Mauduyt de la Greve I, et al. Post-traumaticsyringomeylia and post-traumatic spinal canal stenosis: a directrelationship: review of 75 patients with a spinal cord injury. Spinal Cord1998;36:137-43.

  7. Williams B, Terry AF Jones F, McSweeny T. Syringomyelia asa sequel to traumatic paraplegia. Paraplegia 1981;19:67-80.

  8. Vernon JD, Silver JR, Ohry A. Posttraumatic syringomyelia.Paraplegia 1982;20:339-64.

  9. Rossier AB, Foo D, Shillito J, Dyro FM. Posttraumaticcervical syringomyelia. Incidence, clinical presentation,electrophysiological studies, syrinx protein and results of conservative andoperative treatment. Brain 1985;108:439-61.

  10. Lyons BM, Brown DJ, Calvert MM, Woordward JM, Wriedt CH.The diagnosis and management of posttraumatic syringomyelia. Paraplegia1987;25:340-50.

  11. Hida K, Iwasaki Y, Imamura H, Abe H. Posttraumaticsyringomyelia: its characteristic magnetic resonance imaging findings andsurgical management. Neurosurgery 1994;35:886-91.

  12. El Masry WS, Biyani A. Incidence, management, and outcomeof posttraumatic syringomyelia. In memory of Mr. Bernard Williams. J NeurolNeurosurg Psych 1996;60:141-6.

  13. Kramer KM, Levine AM. Posttraumatic syringomyelia: areview of 21 cases. Clin Orthop 1997;334:190-9.

  14. Bleasel A, Clouston P, Dorsch N. Post-traumaticsyringomyelia following uncomplicated spinal fracture. J Neurosurg Psychiatry1993; 33:378-81.

  15. Van den Bergh R. Pathogenesis and treatment of delayedpost-traumatic syringomyelia. Acta Neurochir (Wien) 1991;110:82-6.

  16. Abel R, Gerner HJ, Smit C, Meiners T. Residual deformityof the spinal canal in patients with traumatic paraplegia and secondarychanges of the spinal cord. Spinal Cord 1999;37:14-9.

  17. Falcone S, Quencer RM, Green BA, Patchen SJ, Post MJ.Progressive posttraumatic myelomalacic myelopathy: imaging and clinicalfeatures. Am J Neuroradiol 1994;15:747-54.

  18. Squier MV, Lehr RP. Posttraumatic syringomyelia. J NeurolNeurosurg Psychiatry 1994;57:1095-8.

  19. Cho KH, Iwasaki Y, Imamura H, Hida K, Abe H. Experimentalmodel of posttraumatic syringomyelia: the role of adhesive arachnoiditis insyrinx formation. J Neurosurg 1994;80:133-9.

  20. Baskin DS. Spinal cord injury. Evans RW. Neurology andtrauma. Philadelphia: Saunders; 1996. p. 276-99.

  21. Ronen J, Catz A, Spasser R, Gepstein R. The treatmentdilemma in posttraumatic syringomyelia. Disab Rehabil1999;21:455-7.

Reactie toevoegen

Er zijn nog geen reacties geplaatst.