Voor sommige mensen lijkt het bij bepaalde aandoeningen weinig uit te maken of zij worden behandeld met een placebo: het nepmiddel werkt net zo goed als een echt geneesmiddel. Een opmerkelijk experiment van Zweedse en Duitse onderzoekers doet vermoeden dat dit placebo-effect genetisch is bepaald. In het experiment werd 108 proefpersonen met een sociale fobie gevraagd een lezing te houden voor een groep studenten. De angstreactie die zo’n vraag uitlokt, laat zich moeilijk beschrijven, maar betreft onder meer zweetuitbraken, faalangst, hartkloppingen en het krijgen van koude handen en voeten. Na de lezing werd driekwart van de proefpersonen gedurende 8 weken behandeld met een selectieve serotonineheropnameremmer (SSRI), een kwart kreeg placebo. Daarna werd hun gevraagd opnieuw een lezing te geven. Bij 40% van de placebogroep werd nu dezelfde angstafname vastgesteld als bij de SSRI-groep. Ook bij hen was op de positronemissietomografiescan een duidelijke activiteitsafname in de amygdala in de temporale kwab zichtbaar, die niet aanwezig was bij de andere placebogebruikers. De onderzoekers trokken daaruit de conclusie dat placebo’s ingrijpen waar ook de SSRI’s ingrijpen, namelijk de serotonineheropname. Vervolgens werden de genen die van invloed zijn op de synthese en de heropname van serotonine in de hersenen geanalyseerd in beide groepen. Daaruit kwam naar voren dat alleen personen met bepaalde varianten van deze genen afname van activiteit in de amygdala vertoonden. Met name de tryptofaan-hydrolase 2-genvarianten kunnen voorspellen in welke mate de angst afneemt bij het gebruik van placebo.
Statistische analyse laat zien dat de neiging om op een placebo te reageren een genetisch effect op de activiteit in de amygdala is: een weg van gen, via hersenen, naar gedrag.
Het is de eerste studie die laat zien dat genen het placebo-effect kunnen beïnvloeden. Dit kan belangrijke consequenties hebben voor klinisch geneesmiddelenonderzoek en ander onderzoek waarin een placebo wordt gebruikt (J Neurosci. 2008;28:13066-74).

