Hoewel vermoeidheid een veelvoorkomende klacht in de huisartsenpraktijk is, is er nog weinig onderzoek gedaan om de prognostische factoren goed in kaart te brengen. De klachten zijn vaak aspecifiek, patiënten melden zich slechts een enkele keer bij de dokter ook al houdt hun klacht aan, en omgevingsfactoren spelen een grote rol. En het onderzoek dat is uitgevoerd, is vaak te klein en te beperkt van opzet om een behoorlijk onderscheidend vermogen te krijgen.
Vandaar dat Iris Nijrolder, Daniëlle van der Windt en Henriëtte van der Horst, allen van het EMGO-instituut van het VU Medisch Centrum in Amsterdam, de zaak wat breder wilden aanpakken. Zij volgden een jaar lang 642 patiënten die zich bij 147 huisartsenpraktijken in Nederland hadden gemeld met vermoeidheid als nieuwe primaire klacht en namen bij hen vijf keer een aantal uitgebreide vragenlijsten af. In The British Journal of General Practice (doi:10.3399/bjgp09X420329) brengen zij verslag uit.
Bij 43% van de patiënten had de vermoeidheid een ongunstig beloop. ‘De ernst van de klacht bij aanvang en de verwachting van de patiënt dat de vermoeidheid chronisch was, voorspelden consistent een slechte uitkomst,’ is hun conclusie. Daarnaast speelden ook pijn en een gebrek aan sociale steun een rol. Minder van belang was hoe lang patiënten al klachten hadden voordat ze naar de huisarts gingen.
Andersom werd een sneller herstel voorspeld door factoren zoals mannelijk geslacht, niet de zorg hebben voor anderen, betere subjectieve gezondheid en minder levensproblemen.
‘De perceptie van de patiënt houdt verband met de prognose,’ besluiten de onderzoeksters. ‘Deze negatieve percepties zijn te beïnvloeden, en zouden meer aandacht moeten krijgen bij de eerste beoordeling van patiënten met vermoeidheidsklachten.’

