Gepubliceerd op: 24-12-2009
Citeer dit artikel als:
 Ned Tijdschr Geneeskd. 2009;153:A948
Stand van zaken

Eric Vermeulen

,

Ingrid Geesink

,

Marjanka K. Schmidt

,

Chantal Steegers

,

Dieter Verhue

,

Frans W.A. Brom

,

Neil K. Aaronson

en

Flora E. van Leeuwen

  • Human tissue remaining after diagnostic procedures is important for use in scientific research.

  • This ‘secondary use’ of tissue is regulated by the Dutch Medical Treatment Contracts Act and the Code of Conduct for Proper Secondary Use of Human Tissue of the Dutch Federation of Biomedical Scientific Societies.

  • Patients have the right to opt-out of further use of their residual tissue, but the procedures for objection and the provision of information involved are not regulated by statute.

  • Dutch patients have a positive attitude to further use of human tissue for other purposes.

  • They prefer, however, a procedure in which they are informed verbally by their health professional about research with residual tissue. The information can be brief and is best provided early in the treatment.

  • Administrative and technical modifications of the current registration systems are necessary to support the opting-out procedure in practice.

  • By taking the preferences of patients into account, trust in medical practice can be maintained

Reactie toevoegen

Reacties

Nader onderzoek lichaamsmateriaal

Graag reageren wij op de bijdrage van Vermeulen over de regelgeving bij ‘nader gebruik lichaamsmateriaal’: een belangrijke uitkomst over opvattingen van het publiek en patiënten. De opvattingen van patiënten over nader gebruik tellen voor ons het meest: het is hun lichaamsmateriaal.
De auteurs concluderen dat de wetgeving (WGBO) op het punt van informatie over ‘nader gebruik’ onvoldoende duidelijk is en daarom aangepast moet worden. Echter, de afspraken over ‘nader gebruik lichaamsmateriaal’ (paraffineblokjes, vriesmateriaal en coupeglaasjes) staan beschreven in de van deze wet afgeleide Code Goed Gebruik van de FEDERA. Patiënten waren actief betrokken bij het opstellen van de Code Goed Gebruik (hoorzitting, conferenties, geschriften en pleidooien). De patiëntenvertegenwoordiging heeft het ‘geen bezwaar systeem’ omarmd. Een logischere conclusie van Vermeulen zou zijn om de Code Goed Gebruik betere bekendheid te geven.
Verbeteringen in informatie zijn mogelijk en wenselijk. Nederlandse onderzoekers werken daaraan door de nieuwe Code zo publieksvriendelijk mogelijk te beschrijven. Ook wordt een website geopend. Er hangt ook veel af van de bereidheid van behandelaars en ziekenhuizen om het geen-bezwaarsysteem beter vorm te geven. Veel ziekenhuis ICT systemen zijn niet uitgerust met regels in het dossier voor het vastleggen van bezwaren. Ook de overheid kan bijvoorbeeld meer aan voorlichting kunnen doen.

Het grootste gevaar van aangepaste wetgeving is dat dit tot strengere normen leidt voor voorlichting, en er op is gericht zal zijn met name het publiek op diens nieuwe “rechten” te wijzen. Het Rathenau onderzoek heeft laten zien dat juist patiënten daar géén behoefte hebben. Wel aan duidelijke voorlichting over de toepassing van lichaamsmateriaal bij wetenschappelijk onderzoek en het belang daarvan. Als er al een verplichting komt, zal die aan ziekenhuizen moeten worden opgelegd: om actief te realiseren dat een eventueel bezwaar daarin eenduidig vastgelegd wordt (de NEN Norm 7510 moet daartoe worden aangepast).

Ondergetekenden vinden dat de Code Goed Gebruik kan voorzien in de behoefte van patiënten en onderzoekers. De inspanning dient zich te richten op het verbeteren van de voorlichting. Artsen moeten duidelijk blijven maken dat wetenschappelijk onderzoek op ‘restmateriaal’ één doel dient: meer inzicht in ziekte voor betere diagnostiek en betere therapieën.

FJ v Kemenade, MJAP Daemen, Ned Ver voor Pathologie (NVVP)
ATMG Tiebosch, PALGA
JWW Coebergh, EB van Veen, Federa