Al jaren maakt ‘de pollenverwachting’ deel uit van het weerbericht, zodat hooikoortspatiënten zich kunnen voorbereiden op een dagje niezen. Deze en andere allergische klachten zijn gerelateerd aan de pollenconcentratie in de lucht, maar zijn onafhankelijk daarvan wel heviger in het vroege pollenseizoen (Clin Transl Allergy. 2011;1:1-18).
Letty de Weger (LUMC) en collega’s spoorden via advertenties in lokale media hooikoortspatiënten op. In 2007 includeerden ze 80 mensen. In 2008 vielen 9 deelnemers uit en vervolgens kwamen hiervoor 13 anderen in de plaats. De deelnemers scoorden in de hooikoortsseizoenen van 2007 en 2008 elke dag via internet of sms de ernst van hun symptomen op een schaal van 0-3 en noteerden medicatiegebruik. De onderzoekers bepaalden dagelijks op het dak van het LUMC de concentratie graspollen per m3 in de buitenlucht. Dit gebeurde zowel in het vroege pollenseizoen – van half mei (2007) en half april (2008) tot de piekconcentratie half juni – als in het late seizoen dat tot eind juli doorloopt.
Klachten en medicatiegebruik namen toe bij hogere concentraties pollen, maar bij eenzelfde concentratie noteerden de hooikoortspatiënten meer en hevigere symptomen in het vroege dan in het late seizoen. Dit was onafhankelijk van medicatiegebruik of andere (pollen)allergieën.
De auteurs suggereren dat dit komt door afname van de allergische respons en door variatie van de pollensoorten gedurende het seizoen. Ook ervaren patiënten hun klachten aan het begin van het seizoen mogelijk heviger dan aan het einde. Maar dat neemt niet weg dat deze uitkomsten nuttig zijn om resultaat van ander hooikoortsonderzoek juist te interpreteren. En daarbij helpt het weervoorspellers uitspraken te doen over mogelijke loopneuzen en traanogen.
(Bijdrage: Karen van Weelden.)

