‘Het is de grootste gevangenis in Lima, er is plaats voor 1600 gevangenen, maar er zitten veel meer mensen opgesloten’, vertelt Juan. ‘Hoeveel?’ vraag ik. ‘Tja, de autoriteiten weten het niet eens. Laten we het maar op zo'n 6000 mensen houden, dat is tenminste het aantal dat de gevangenen zelf opgeven en zij houden het wel nauwkeurig bij. Je zult het wel zien, het is er overvol en de gevangenen zijn er zelf de baas.’ Ik bezoek de gevangenis, samen met onze coördinator Juan, om mede te beoordelen of Artsen zonder Grenzen hulp in de gevangenis zou kunnen verlenen. Het klinkt me raar in de oren, gevangenen die in hun gevangenis zelf de baas zijn. Eenmaal binnen de poorten echter, zie ik een gevangene zijn cel uitgaan, de deur op slot doen en met een achteloos gebaar de sleutel in zijn zak stoppen. Hij gaat koffie drinken. Inderdaad, in Lurigancho zijn de gevangenen de baas.
Lurigancho ligt aan de rand van Lima en bestaat uit een twintigtal paviljoens omgeven door een zwaarbewaakte muur. Met zijn uitkijktorens lijkt het een fort uit een western. Het principe van deze gevangenis berust op een simpele, niet officieel vastgelegde afspraak tussen autoriteiten en gevangenen. De gevangenen kunnen het terrein, dat streng bewaakt wordt, niet verlaten. Binnen de muren echter kunnen zij doen wat hun behaagt. De autoriteiten hebben vervolgens geen omkijken naar de gehele organisatie binnen de gevangenis. Binnen de poorten loopt slechts een twintigtal ongewapende bewakers rond. Alles, maar dan ook alles, zoals ordehandhaving, schoonmaken, eten en onderwijs, wordt geregeld door de gevangenen zelf. De autoriteiten brengen steeds meer gevangenen binnen de muren; hoe dat verder logistiek wordt opgelost, is niet meer hun probleem. Aldus zijn er inmiddels zo'n 6000 gevangenen opgesloten.
alles is te koop
De gevangenen kunnen alleen overleven door voor hun eigen kostje te zorgen. Dat betekent dat zij hulp nodig hebben van familie die hun te eten geeft en wat geld om wat verder noodzakelijk is te kopen. Er heerst een strakke hiërarchie. Mensen zonder geld moeten werken, klusjes doen voor rijkere lotgenoten, variërend van het wassen van kleren tot seksuele dienstverlening. Binnen de muren is van alles te koop. Het wordt openlijk toegelaten of naar binnen gesmokkeld door de familie. De bewakers knijpen, tegen betaling uiteraard, gewillig een oogje dicht of brengen, als je meer betaalt, het een en ander zelf naar binnen. ‘Kijk, honderd gram cocaïne kun je smokkelen; meestal wordt dat gedaan door vrouwen die de cocaïne in de vagina verstoppen. Een hele kilo kan echter niet op die manier binnengebracht worden en moet wel door de bewakers zelf gesmokkeld zijn’, aldus een gevangene.
Wij gaan een paviljoen binnen waar zo'n 800 gevangenen ‘wonen’. Zij hebben, veelal in de zalen, door middel van dekens enige privé-ruimte afgescheiden. Ik laat me vertellen dat gevangenen dergelijke slaapplaatsen overnemen van een vrijgelaten gevangene of huren van anderen. Voor degenen zonder geld is er geen eigen plaats en zij slapen in de gangen of buiten. Het paviljoen is overvol. Ik voel mij ongemakkelijk, niet echt bedreigd, maar toch ben ik me er van bewust dat ik opgesloten zit met zo'n 6000 ‘criminelen’. Ik ben blij dat ik mijn Artsen zonder Grenzen-T-shirt aanheb, erop rekenend dat het rode logo enige bescherming biedt. De ‘delegado’ van het paviljoen leidt ons rond. Ik zie een openbare telefoon aan de muur hangen en er zijn zelfs gevangenen die een gsm hebben. ‘Kijk maar’, zegt Juan, ‘daar is een televisie en een ijskast.’ Alles, maar dan ook alles, is in Lurigancho te verkrijgen, als je maar betaalt of contacten hebt. Er zijn ook buitenlanders opgesloten. Ik besluit met een Nederlander te praten, misschien kan ik een boodschap overbrengen naar zijn familie. De ‘delegado’ vraagt hulp aan een ‘llamador’. Het zijn gevangenen, duidelijk herkenbaar aan hun overall, die, uiteraard tegen een kleine vergoeding, gevangenen lokaliseren in hun paviljoen. De Nederlander heeft een privé-cel bemachtigd. Hij steekt zijn hoofd buiten de deur, maar is te gedrogeerd om iets te zeggen. Ik laat het er maar bij.
De meeste gevangenen zijn jong en het gemiddelde verblijf is een jaar; sommigen echter zitten voor 10 tot 20 jaar opgesloten. De meerderheid heeft nog geen berechting gehad. ‘Je snapt het, ze leren hier het vak wel’, zegt Juan. ‘Men zegt wel: de straat is de school van de misdaad, wel, in dat geval is Lurigancho een hogeschool. Beginners doen hier genoeg contacten en ervaring op om een stapje verder te gaan.’ De gevangenen zijn voor de meerderheid afkomstig uit de arme delen van Lima. Het is allereerst de armoede, de noodzaak tot overleven, die hen de eerste schreden op het verkeerde pad doet zetten. Het begint met stelen op de markt. De kinderen van zo'n 12 jaar opereren in groepjes en worden piranha's genoemd. Eenmaal ingewerkt beroven zij mensen op straat, later stelen zij auto's en geleidelijk wordt criminaliteit een vorm van leven. Uiteindelijk worden sommigen gewapende bankovervaller en ontvoerder; zij genieten binnen hun groep een zeker prestige, zowel binnen als buiten de gevangenis. Criminaliteit is zo gewoon geworden binnen deze groep, dat, als je nog nooit in Lurigancho hebt vastgezeten, je er niet echt bij hoort. Binnen de muren heerst dan ook de wet van criminaliteit, drugs, alcohol en prostitutie.1
aidspatiënten geïsoleerd
Voor gezondheidszorg in het algemeen houden een arts en zijn assistenten spreekuur. De assistenten zijn vaak gevangenen die hun tijd tussen de muren nuttig proberen te maken. In principe is de hulp gratis, maar in de praktijk moet men toegang ‘kopen’. Bij iedere deur die gepasseerd moet worden om de kliniek te bereiken moet men een bijdrage betalen aan degene die de toegang controleert. Eenmaal in de kliniek zijn materiaal en medicijnen schaars.
‘Het HIV is een tijdbom in deze populatie. Onbeschermd seksueel contact is de norm. Op bezoekdagen komen er prostituees binnen die op een middag veertig klanten “afwerken” ’, legt Juan mij uit. Maar ook seksuele contacten tussen de mannen onderling, vaak onder invloed, zijn schering en inslag, laat ik mij vertellen. Voeg daarbij het plaatsen van tatoeages, het intraveneus gebruik van drugs en de directe band met de burgermaatschappij, en het doemscenario is rond. Het betreft hier een ‘core transmitter group’. Nu zijn er zo'n 40 HIV-positieve patiënten geïsoleerd in hun eigen cellen. ‘Isolatie is natuurlijk niet goed’, vertelt een HIV-positieve travestiet mij, ‘maar het is hier beter dan in een ander paviljoen, hier worden we met rust gelaten.’ Drie jaar geleden werd hij opgepakt door de politie, tezamen met drie andere prostituees. Zij allen werden door de politie getest op HIV en hij had als enige geen geld om zich vrij te kopen. Drie jaar zit hij nu al vast zonder enig proces, met niets anders op zijn geweten dan dat hij HIV-positief is. Een andere patiënt is terminaal, ik schat het op zijn hoogst nog op enige weken. ‘Twee weken geleden is hij naar het ziekenhuis gegaan, zijn handen geboeid op de rug. Hij is geslagen gedurende de rit. In het ziekenhuis konden ze hem niet helpen, omdat hij geen geld had. Hij is teruggevoerd en weer geslagen door bewakers’, legt Juan mij uit. De arts vertelt mij dat hij gevraagd heeft de man vrij te laten; het verzoek wordt nog bekeken. De man zal in de gevangenis sterven, volstrekt inhumaan en onnodig.
voor straf in een kooi
Ik loop de ochtend verder mee met Manuel, een ziekenverzorger die de behandeling van patiënten met tuberculose doet. Bij zo'n 30 patiënten per maand wordt tuberculose vastgesteld. De patiënten verblijven in een speciaal paviljoen en met gejoel wordt hij ontvangen. ‘De pillen, jongens, de pillen . . .’, schreeuwt men door elkaar. Onverstoorbaar neemt Manuel plaats. ‘Iedereen eerst zijn shirtje aan’, zegt hij. ‘Orde moet er zijn’, legt hij mij uit. Ene patiënt Alvarez is er niet. ‘Cuchillo, Cuchillo . . .’, roepen zijn maten, ‘kom op man, je pillen.’ ‘Cuchillo’ betekent in het Spaans ‘mes’, realiseer ik me. Cuchillo verschijnt en ziet er, zelfs zonder mes, met al zijn tatoeages indrukwekkend uit. Hij neemt zijn beker water om de handvol pillen met een slok door te spoelen. De volgende patiënt telt eerst zijn pillen routineus: hij mist er een en eist er nog een bruine bij. Manuel geeft geen krimp en legt een extra vitaminepil in zijn hand. Een gevangene loopt rond met een infuuszak. Hij vraagt mij of het goed spul is. Op de zak staat ‘metronidazol’. Ik leg hem uit dat het niet geschikt is voor hem. Lachend zegt hij: ‘Ik wil de boel wel eens goed schoonspoelen’ en hij maakt zich met zak en al uit de voeten, bang dat ik die zal afpakken. Ik begrijp dat hij wel iemand vindt om het infuus te plaatsen. Een infuus om eens goed aan te sterken is ook in de stad een bekend verschijnsel.
Manuel en ik gaan samen op weg naar het paviljoen waar degenen vastzitten die binnen de gevangenis gestraft zijn wegens wangedrag. Meestal betreft het vechten. De gevangenen delen straffen uit aan medegevangenen, zelfs de doodstraf heb ik mij laten vertellen. In dit paviljoen valt er weinig te lachen. In een hok van tien vierkante meter zitten, ditmaal achter dikke tralies, een twintigtal gevangenen opgesloten. Er zijn twee britsen en in een hoek een open toilet. Men kan er met geen mogelijkheid allen tegelijk liggen. Er is geen daglicht en slechts beperkt water. Alle gevangenen willen tegelijk praten en leunen door de tralies. Ik zie in de schemer zo'n zes hokken; het ontbreekt mij aan de moed om verder te lopen. Het is onmenselijk, het is donker, het stinkt en, het klinkt hard, maar het doet denken aan een dierentuin. We praten kort met een Amerikaan; er zijn zo'n dertig buitenlanders in Lurigancho. De meesten zitten vast wegens handel in cocaïne. Hij heeft er 18 maanden van zijn 10-jarige straf opzitten en vertelt ijzig kalm over zijn verblijf. De extra verbanning naar dit paviljoen echter gaat hem te ver. ‘Ik zit hier nu een week en niemand vertelt je hoe lang het gaat duren’, legt hij uit. ‘We krijgen wat soep en brood en 's ochtends water voor de hele dag. Ik heb nu bloed bij de ontlasting, maar ik mag geen dokter zien. Trouwens, de meesten hier hebben bloed bij hun ontlasting. Het is onmenselijk, we hebben geen enkel recht, dieren worden beter behandeld.’ Berusting is waarschijnlijk de enige manier om het vol te houden. Hij verdient wat geld met de reparaties van televisies en radio's. Manuel blijkt toch nog een patiënt te behandelen, het wordt mij niet duidelijk, maar men mag hopen dat zijn sputum niet besmettelijk is.
onze bootsman
In de middag loop ik mee met onze verpleegster die een onderzoek in de gevangenis uitvoert. Er wordt een steekproef van gevangenen geïnterviewd. Zij legt aan een aantal ‘delegado's’ uit welke gevangenen uit hun paviljoen aselect gekozen zijn. Ik zie enige paniek in hun ogen als men er achter komt dat het lot hun kok heeft aangewezen. Hoe gaan we dan eten die dag? ‘We wijzen wel een ander aan, die is ook heel geschikt’, zegt een ‘delegado’ doodleuk. De ander knikt instemmend, blij dat ze het zo snel denken op te lossen. De verpleegster legt het principe nog eens uit en zuchtend geven ze toe: de kok doet mee. Zijn naam wordt correct, maar wel op de verkeerde plaats op de lijst ingevoerd. Het lijkt simpel, maar alles kan fout gaan.
Eenmaal weer ‘thuis’, vertelt onze coördinator Juan mij het verhaal van Carlos, onze bootsman voor een project langs de rivier. Drie maanden geleden werd hij opgepakt door de politie bij een routinecontrole langs de weg. Men had bij een huiszoeking in een dorpje, het is al weer twee jaar geleden, in een tas zijn identiteitskaart gevonden. In de tas zat cocaïne, en hij was verdacht. De identiteitskaart echter was, aldus Carlos, vóór die tijd gestolen. Hij kon de papieren van aangifte van de vermissing laten zien. Desalniettemin: de gevangenis in, waar hij nu al drie maanden vastzit zonder proces. Er kan tien jaar op staan, zegt zijn advocaat. Het geval maakt schrijnend duidelijk dat men als verdachte geen rechten kent. In de strijd tegen terrorisme en drugs kent men in Peru geen genade.
Wij praten na over een eventueel project gericht op de preventie van HIV-besmetting. De reactie van veel mensen is voorspelbaar: wij hebben als organisatie te weinig middelen, gebruik die dan maar voor kinderen in nood en besteed ze niet aan misdadigers. Uit medisch-ethisch oogpunt lijkt ons dit niet juist. Er kleven aan de misdaad en berechting in Peru veel haken en ogen en het lijkt ons terecht dat Artsen zonder Grenzen ook voor deze groep zijn nek uitsteekt. Zeker gezien het feit dat niemand in de gelegenheid wordt gesteld om in de keuken van de Peruaanse gevangenis te kijken en wij na jaren lobbyen vrije toegang hebben verkregen.

