Jan Dirk Blom
,Hafize Eker
,Hillal Basalan
,Youssef Aouaj
enHans Wijbrand Hoek
Individuals with an Islamic background who suffer from hallucinations often attribute these to djinns, invisible beings. The treatment of these hallucinations is complicated by the patients’ reluctance to discuss them, and by their doubts concerning the usefulness of a biomedical treatment for a problem which they experience as metaphysical in nature. In this clinical lesson, we present case studies of three Moroccan patients who attributed their hallucinations to djinns. The first was a 30-year-old factory worker whose compulsive complaints had started when he saw a white figure in the basement who asked him ‘What are you doing here?’ The psychiatric diagnosis was obsessive-compulsive disorder. The patient was prescribed cognitive behavioural therapy, an SSRI and a consultation by the imam, but he refused. The second patient was a 25-year-old unemployed man, who had auditory hallucinations, delusions, behavioural problems, and alcohol and cannabis abuse. He heard voices which he attributed to maleficent djinns. He was diagnosed with schizophrenia, but his compliance with antipsychotics was insufficient. The imam who was consulted reassured him that his complaints were not caused by djinns. After prolonged treatment with clozapine and cutting down on cannabis use the patient recovered sufficiently to be discharged. The third patient was a 26-year-old unemployed woman who was hearing voices that her imam thought were caused by a djinn. She was examined because of serious self-mutilation and was diagnosed with a schizoaffective disorder. Treatment with an antipsychotic, lithium and valproic acid and a consultation by a second imam, who found no signs of evidence of djinns, was successful. We recommend to ask individuals with an Islamic background specifically whether djinns might be involved, especially in cases of mental problems and unexplained symptoms, and to seek the cooperation of a qualified imam or traditional healer for treatment purposes.
Indienen manuscript
Meld u aan voor de wekelijkse e-alert met de actuele inhoudsopgave.


Reacties
Hallucinaties door djinns
Dit pleidooi onderschrijf ik van harte, maar bij de suggestie om samen te werken met ‘een deskundige imam of traditionele genezer’ wil ik een kanttekening plaatsen.
In het artikel wordt niet afdoende duidelijk gemaakt dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen de imam, de religieuze genezer en de islamitisch geestelijk verzorger. De imam is een gebedsvoorganger in de moskee. De relgieuze genezer (voor Marokkanen fqîh en voor Turken hodja) geldt als een specialist in de bestrijding van bovennatuurlijke ziekteoorzaken.De islamitisch geestelijk verzorger ten slotte is iemand die zowel islamitisch als biomedisch onderwijs heeft genoten. Deze geestelijke verzorgers hebben dezelfde status als bijvoorbeeld de rooms-katholieke of de humanistische geestelijke verzorgers, zoals we die kennen in het leger, justitiële inrichtingen en zorginstellingen.
Dit onderscheid in typen religieuze functionarissen is van belang, omdat het samenhangt met discussies onder moslims over de vraag hoe ver men met gebedsgenezing mag gaan.Vanuit de ‘formele’ islam – waartoe imams in moskeeën en islamitische geestelijke verzorgers in zorginstellingen behoren - worden grenzen gesteld aan hetgeen moslims mogen doen op helend terrein. Zo is het toegestaan om tot God (‘Allâh’) te bidden voor genezing. Ook wordt het dikwijls toelaatbaar geacht om een amulet te dragen dat is gemaakt van koranverzen. Maar andere fenomenen, zoals exorcistische rituelen of pogingen om contact te leggen met djinns (zoals sommige genezers pretenderen te doen) worden ontoelaatbaar en zelfs zondig geacht. Voorts is het niet toegestaan om geld voor deze activiteiten te vragen.
Die laatste fenomenen worden meestal gepraktizeerd door religieuze genezers. Over hen doen onder moslims allerlei verhalen en geruchten over oplichterij en winstbejag de ronde. Een cruciaal probleem hierbij is dat iedere vorm van regulering onder zulke genezers ontbreekt. Daardoor is het volstrekt onduidelijk wie al dan niet bonafide is.
Kortom volgens mij is het van belang voorzichtig te zijn als het gaat om samenwerking. Net als Blom c.s. kan ik mij voorstellen dat samenwerking met ‘djinn-deskundigen’ in sommige situaties zinvol kan zijn. Maar het zou dan wel moeten gaan om samenwerking met bij voorkeur een islamitisch geestelijk verzorger.
Cor Hoffer,
cultureel antropoloog en socioloog werkzaam bij Parnassia Bavo Groep.