Eind 2009 publiceerde de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) het lijvige ‘European Health Report 2009: Health and health systems’. De WHO-regio betreft ruim 900 miljoen Europeanen verspreid over 53 lidstaten met grote diversiteit aan organisatievormen en modellen in de gezondheidszorg. Vrijemarktsystemen, ziekenhuisconsortia, staatsziekenhuizen en ‘primary care trusts’, ze komen allemaal voor in Europa en komen in het rapport aan de orde rond 3 thema’s: gezondheidsstatus, gezondheidsdeterminanten en gezondheidssystemen.
De gemiddelde Europeaan leeft langer: in 1990 was de gemiddelde levensverwachting 73,1 jaar, in 2006 was dit 75,6 jaar. Zwitserland scoort met 82 jaar het hoogst, Kazakstan het laagst (66,4 jaar). Nederland staat op de 11e plaats. Hoewel West-Europa de levensverwachting met 5% wist te verbeteren, daalde het in de voormalige Sovjetlanden: in Rusland bijvoorbeeld van 69,7 naar 67,9 jaar. Vrouwen leven gemiddeld 7,5 jaar langer dan mannen, maar daarvan worden slechts 5 jaar in goede gezondheid doorgebracht.
Het verschil in levensverwachting wordt slechts ten dele verklaard door verschillen in welvaart en gezondheidsuitgaven. Zo hebben Portugal en Denemarken dezelfde levensverwachting, maar heeft Portugal slechts 60% van de welvaart en 64% van de Deense gezondheidsuitgaven.
Het sterftecijfer daalde in West-Europa met 20-25%. In Oost-Europa steeg het echter met 10%. Dezelfde regionale ongelijkheid geldt ook de kindersterfte, die ligt in de voormalige Sovjetrepublieken 3 keer hoger dan in West-Europa. Chronische ziekten bepalen voor 80% de mortaliteit van Europeanen, met cardiovasculaire ziekten (48%) en kanker (20%) bovenaan de lijst. Maar regionaal is de sterfte aan die ziekten ongelijk. Sterfte tengevolge van hart- en vaatziekten ligt in de oude Sovjetrepublieken 2 keer hoger dan in West-Europa, voor kanker is dit echter precies omgekeerd.
De morbiditeit − in het rapport uitgedrukt in aantal verloren levensjaren ten gevolge van vroegtijdig overlijden − daalt en zal de volgende 2 decennia met ruim 20% dalen. 40% van de verloren levensjaren is te wijten aan risicofactoren als roken, alcoholgebruik en onveiligheid thuis, op het werk en in het verkeer.
Het tweede deel van het rapport belicht de invloed van omgevingsfactoren, levensstijl en gedrag en sociaaleconomische determinanten op de gezondheid. Ook hier zijn grote regionale verschillen.
1,7 miljoen sterfgevallen per jaar (18% van het totale aantal doden) worden toegeschreven aan omgevingsfactoren zoals toegang tot zuiver drinkwater en goede sanitaire voorzieningen, luchtvervuiling en ongevallen. Vooral de ongevallen blijven met 800.000 sterfgevallen per jaar (waarvan 60% te voorkomen) de derde belangrijkste doodsoorzaak in Europa. 60% van de morbiditeit staat in direct verband met 7 risicofactoren: hoge bloeddruk, tabak, alcohol, cholesterol, overgewicht, ongezond dieet en gebrek aan beweging. Vooral dit laatste is een probleem in West-Europa.
Daarnaast bepalen de sociale condities waarin mensen geboren worden, opgroeien, leven, werken en oud worden in grote mate hun kansen op gezondheid en ziekte. Opmerkelijk genoeg situeert 90% van de sociale ongelijkheid zich niet tussen maar binnen landen.
Het derde deel van het rapport gaat in op een aantal recente ontwikkelingen binnen de Europese gezondheidszorgsystemen. Het voert hier te ver daarop in te gaan. Duidelijk is wel dat binnen de Europese regio een consensus groeit over de noodzaak aan systematische en transparante evaluatie van de gezondheidszorg. Het meten en analyseren van de resultaten inzake gezondheidswinst, kwaliteit, veiligheid en kostprijs voor de bevolking zal de komende jaren een belangrijke uitdaging worden.

