In 1993 publiceerde de Gezondheidsraad, na 10 jaar voorbereiding, het advies ‘Alternatieve behandelwijzen en wetenschappelijk onderzoek’.1 Over ‘erkenning’ van alternatieve geneeskundige methoden zegt dit advies dat ‘. . . indien uit herhaald en volgens de door de commissie geformuleerde richtlijnen opgezet en uitgevoerd onderzoek blijkt dat met een behandelwijze positieve resultaten worden bereikt, een dergelijke behandelwijze moet worden erkend’ (bl. 210). Inmiddels is het zover dat het onderzoek naar homeopathie ruimschoots aan de eisen van de Gezondheidsraad voldaan heeft. Dat erkennen ook Rosendaal en Bouter (2002:304-9), maar zij stellen, 9 jaar na het advies, dat onderzoek naar homeopathie bij voorbaat onzinnig is. De auteurs baseren dit op de stelling dat de priorkans dat homeopathie werkt uiterst klein is. De onderbouwing van deze stelling bestaat echter uit niet meer dan de suggestieve opmerking dat ‘. . . de uitgangshypothese onjuist was: er kán namelijk geen effect zijn van homeopathische geneesmiddelen’.
Waarschijnlijk luidt de impliciete stelling van de auteurs dat (a) door het bereidingsproces van homeopathische geneesmiddelen (potentiëren = verdunnen + schudden) het vaak onmogelijk is dat er één molecule van de uitgangsstof in het geneesmiddel aanwezig is en (b) een genezend effect alleen mogelijk is op basis van moleculen van de uitgangsstof. Het eerste deel van de stelling is juist, het tweede deel is onjuist en daarmee is de basis voor de lage inschatting van de priorkans weggevallen. Andere dan moleculaire werkingsmechanismen van geneesmiddelen (zoals resonantie, verandering van de structuur van water en kwantumfysica) zijn nog weinig onderzocht, vooral omdat de wetenschappelijke wereld in afwachting is van het statistisch onderzoek. Het is te verwachten dat onderzoek naar het werkingsmechanisme ingewikkeld zal zijn en er moet een politiek draagvlak voor bestaan. De stelling van de auteurs creëert een vicieuze cirkel: geen onderzoek naar het werkingsmechanisme zonder statistisch bewijs en geen statistisch bewijs zonder werkingsmechanisme.
Bij het inschatten van de priorkans dat homeopathie werkt, zijn nog enkele andere gegevens relevant die in het artikel niet genoemd worden. Zo is er ook veelvuldig fundamenteel onderzoek gedaan. Een meta-analyse hiervan uit 1994 laat zien dat de nulhypothese van een placebo-effect bij homeopathie onwaarschijnlijk is.2 Recent zijn in verschillende onafhankelijke onderzoekslaboratoria significante effecten aangetoond van homeopathische verdunningen op degranulatie van basofiele granulocyten.3 4 Verder worden ook binnen het reguliere biomedische onderzoek onverwachte en consistente effecten van hoge verdunningen tot 10-22 mol/l gevonden bij oplossingen die als controle gebruikt worden.5 De auteurs schrijven dat de clinicus vaak een inschatting moet maken van de priorkans. Inmiddels hebben gedurende twee eeuwen honderdduizenden artsen over de hele wereld vanuit een kritische houding met homeopathie gewerkt en hun inschatting van de priorkans dat homeopathie werkt, is daardoor aanmerkelijk hoger geworden. Hebben al deze clinici achteraf gezien een andere intuïtie dan hun reguliere vakbroeders die homeopathie niet geprobeerd hebben? Dat mag dan wel eens nader onderzocht worden; dergelijke grote verschillen in intuïtie onder artsen leveren grote verschillen in priorkansen. Wie heeft nu eigenlijk om het effectiviteitsonderzoek gevraagd? De KNMG heeft zich op het standpunt gesteld dat de effectiviteit op dezelfde manier als in de reguliere geneeskunde moest worden vastgesteld.6 Omdat 5 miljoen Nederlanders homeopathie gebruiken,7 acht ook de overheid onderzoek naar homeopathie noodzakelijk. Aan deze wens is nu voldaan. Hoe nu verder? Het advies van de Gezondheidsraad houdt op bij de conclusie dat een methode na bewijs moet worden erkend.
Wellicht onbedoeld illustreert de briefschrijver ons betoog dat de priorverwachting omtrent een hypothese bepaalt of onderzoek zinvol is. Onze priorverwachting wat betreft homeopathie is nul, en dus is onderzoek voor ons zinloos; het kan immers ons oordeel over de werkzaamheid van homeopathie niet veranderen. De briefschrijver heeft een andere verwachting en in algemene zin kan onderzoek dan zinvol worden: het zou kunnen leiden tot een positiever oordeel over de werkzaamheid, en ook tot een negatiever oordeel indien het onderzoek geen effect aantoont. Indien de briefschrijver een rotsvast vertrouwen in de werkzaamheid van homeopathie zou hebben, zou onderzoek ook voor hem zinloos zijn. Overigens laat deze redenering ook zien dat het onjuist is te menen dat er met onderzoek of statistiek iets bewezen zou kunnen worden; verwachtingen omtrent de waarheid van een hypothese kunnen sterker of zwakker worden, doch een absoluut bewijs is onmogelijk. Dit staat bekend als ‘Humes probleem’.
Hoewel er verschillen in priorkans kunnen bestaan tussen deskundigen, zijn niet alle opvattingen gelijkwaardig: een priorkans moet met redelijke argumenten onderbouwd kunnen worden. Onze stellingname is inderdaad zoals door de briefschrijver is geïnterpreteerd: het fundament van de chemie, biologie en farmacologie verzet zich tegen de werkzaamheid van schier oneindig verdunde oplossingen. Vage verwijzingen naar de kwantummechanica of resonantie van watermoleculen kunnen onze opvatting niet wijzigen, terwijl experimenten met extreem hoge verdunningen in het laboratorium als frauduleus zijn ontmaskerd.1 2
Een belangrijk argument van de briefschrijver is dat zoveel artsen – en nog meer patiënten, zouden we kunnen aanvullen – menen dat homeopathie werkt. De waarheid is echter niet onderhevig aan democratische principes of politieke overwegingen. Drie miljoen Amerikanen geloven dat zij ooit door buitenaardse wezens zijn ontvoerd, miljoenen geloven in astrologie en nog meer mensen hangen elkaar uitsluitende religieuze overtuigingen aan, zonder dat deze aantallen enige relevantie hebben voor het waarheidsgehalte van die verschillende opvattingen.

