De ziekte van Von Hippel-Lindau (VHL) is een autosomaal dominant overervende aandoening met een hoge penetrantie en wordt gekenmerkt door tumoren in verschillende organen. De meest voorkomende gezwellen zijn hemangioblastomen in de retina en het centraal zenuwstelsel, niercelcarcinomen, feochromocytomen, cyst(adenom)en in de nieren, het pancreas en de epididymis, endocriene pancreastumoren en een specifieke neurectodermale tumor van de saccus endolymphaticus van het binnenoor.12 De minimale frequentie bij de geboorte wordt geschat op 1:36.000.3
De Landelijke VHL-werkgroep heeft, om het beleid van vroege opsporing en behandeling van VHL-patiënten in Nederland te ondersteunen, adviezen opgesteld voor DNA-diagnostiek en periodiek klinisch onderzoek, op basis van internationale richtlijnen.45 De verwachting is dat vroegtijdige opsporing en behandeling van VHL-complicaties, vooral van hemangioblastomen en niercelcarcinomen, zowel morbiditeit als vroege sterfte van VHL-patiënten zullen doen afnemen.
diagnostische criteria
Kliniek.
Voor het stellen van de diagnose ‘VHL’ bij een patiënt zijn zowel klinische verschijnselen als de familieanamnese belangrijk. Typische met VHL samengaande tumoren zijn hemangioblastomen (van de retina of het centraal zenuwstelsel), feochromocytomen, niercelcarcinomen, tumoren van de saccus endolymphaticus en multipele pancreascysten.1 Multipele pancreascysten zijn specifiek voor VHL omdat ze zeldzaam zijn in de normale populatie. Cysten in de nier of de epididymis daarentegen komen relatief vaak voor in de populatie en zijn minder specifiek voor VHL.6
De diagnose ‘VHL’ wordt gesteld bij een patiënt met een typische VHL-tumor in combinatie met een positieve familieanamnese.17 Bij een patiënt met een negatieve familieanamnese moet men twee of meer hemangioblastomen, of een hemangioblastoom in combinatie met een andere typische VHL-tumor vinden om de diagnose te kunnen stellen.1
Moleculaire genetica.
Het gen dat in gemuteerde vorm voor de ziekte verantwoordelijk is, ligt op de korte arm van chromosoom 3 (3p25-26) en is onderverdeeld in 3 exonen.8 Het VHL-gen is een typisch tumorsuppressorgen zoals beschreven door Knudson in zijn ‘two hit’-theorie.9 Inactivatie (mutatie) van beide allelen van het gen leidt tot transformatie van een normale cel tot een tumorcel. Bij VHL-patiënten is door een kiembaanmutatie (dat wil zeggen een geërfde mutatie) één allel gemuteerd in alle cellen (de eerste ‘hit’). De tweede hit is een in de loop van het leven optredende mutatie in het andere allel (een zogenaamde somatische mutatie).
Door moleculair-genetisch onderzoek van DNA (verkregen uit lymfocyten uit perifeer bloed) wordt tegenwoordig in vrijwel alle VHL-families een geërfde mutatie aangetoond.10 Er wordt een groot aantal verschillende mutaties in het VHL-gen gevonden. Deze mutaties zijn in circa 60-70 van de VHL-families puntmutaties, microdeleties en -inserties in het coderende gedeelte van het VHL-gen. In de overige families is het VHL-gen geheel of gedeeltelijk gedeleteerd. Mutatieonderzoek wordt verricht met behulp van directe DNA-sequentieanalyse, ‘Southern blotting’ en fluorescentie-in-situhybridisatie (FISH).10
VHL-kiembaanmutaties worden ook bij patiënten gevonden die niet voldoen aan de klinisch-diagnostische criteria van VHL. Zo worden VHL-kiembaanmutaties gevonden bij 10 van de patiënten met schijnbaar sporadische hemangioblastomen,11 bij 1,6 van de patiënten met niercelcarcinomen,12 en bij 3 tot 9 van degenen met feochromocytomen.13 14
natuurlijk beloop
VHL wordt gekenmerkt door zowel inter- als intrafamiliaire variabiliteit in expressie van het ziektebeeld. Dat betekent dat zowel tussen verschillende families als binnen één familie de manifestaties en de leeftijd waarop verschijnselen ontstaan sterk kunnen verschillen. Bij VHL worden er twee fenotypen onderscheiden (tabel 1): families zonder feochromocytomen (VHL-type I) en families met feochromocytomen (VHL-type II). Mutaties die leiden tot volledig functieverlies van het VHL-eiwit worden vooral gezien bij een fenotype zonder feochromocytomen. Daarentegen hebben families met feochromocytomen specifieke zogenaamde ‘missense’-mutaties.15 Missensemutaties leiden tot een VHL-eiwit met slechts één veranderd aminozuur. Gezien de variabiliteit in de uiting van het ziektebeeld wordt vermoed dat bij de uitingen van VHL, naast de familiespecifieke mutatie in het VHL-gen, tevens externe factoren (zoals omgevingsinvloeden of leefgewoonten) en ook andere genen een rol spelen.16
De penetrantie van de ziekte (het tot uiting komen van het ziektebeeld bij dragers van de mutatie) wordt geschat op tenminste 90 bij de leeftijd van 60 jaar.4 De gemiddelde prevalenties van de verschillende tumoren worden in tabel 2 vermeld.14 17-21 Tumoren manifesteren zich bij VHL-patiënten in het algemeen op relatief jonge leeftijd. Deze leeftijd is echter afhankelijk van de intensiteit waarmee naar asymptomatische tumoren wordt gezocht. De gemiddelde leeftijd (met uiterste waarden) bij de diagnose bedraagt voor de afzonderlijke tumoren: retinale hemangioblastomen: 25 jaar (1-68); feochromocytomen: 28 jaar (10-56); cerebellaire hemangioblastomen: 30 jaar (11-78); niercelcarcinomen: 36 jaar (15-69).4 51822
Symptomen en complicaties van de afzonderlijke VHL-tumoren zijn reeds eerder in dit tijdschrift beschreven,23 en worden ook besproken door Los et al. elders in dit nummer.24 De meeste VHL-patiënten overlijden aan de gevolgen van een hemangioblastoom van het cerebellum (41-61,5) of van een niercelcarcinoom (27,3-47).418
nederlandse richtlijnen
DNA-diagnostiek.
Voor alle patiënten bij wie de ziekte van VHL wordt vermoed is zowel klinisch onderzoek (volgens tabel 3) als DNA-onderzoek geïndiceerd (figuur). DNA-onderzoek bij minderjarigen is uitsluitend mogelijk na overleg met een klinisch geneticus. Het aantonen van een VHL-kiembaanmutatie is van belang voor het bevestigen van de klinische diagnose en voor presymptomatische diagnostiek bij familieleden. Uitsluitend voor personen uit families waarin de VHL-mutatie bekend is, kan (presymptomatisch) DNA-onderzoek voor de diagnose volstaan.
DNA-onderzoek voor een VHL-mutatie wordt verricht door de divisie Medische Genetica van het Universitair Medisch Centrum Utrecht en de afdeling Klinische Genetica van het Academisch Ziekenhuis Rotterdam. Een aanvraag voor DNA-diagnostiek naar een VHL-mutatie moet aan de volgende 3 eisen voldoen: (a) aan de aanvraag moet een ‘informed consent’-procedure vooraf zijn gegaan; (b) er moet een volledig ingevuld aanvraagformulier worden ingediend (inclusief klinische gegevens en een stamboom); (c) er moeten 3 heparinebuizen met ieder 10 ml bloed worden ingeleverd (2 buizen voor DNA-diagnostiek en één voor FISH-onderzoek).
Presymptomatisch DNA-onderzoek kan uitsluitend worden aangevraagd door een klinisch geneticus. Diagnosebevestigend (symptomatisch) onderzoek kan door zowel de klinisch geneticus als de behandelend specialist worden aangevraagd. Overleg met een klinisch geneticus is al bij aanvraag van DNA-onderzoek van belang, ten eerste omdat de genetische diagnose consequenties heeft zowel voor de aanvrager zelf als voor zijn of haar familieleden, en ten tweede omdat voor een correcte interpretatie van het resultaat van DNA-onderzoek contact nodig is tussen de behandelend specialist en de klinisch geneticus. Bij (nog) niet alle VHL-families kan namelijk een mutatie worden vastgesteld. Dit heeft vooral consequenties indien er geen mutatie wordt gevonden bij een patiënt bij wie de diagnose ‘VHL’ wordt overwogen.
Wie komen in aanmerking voor periodiek klinisch onderzoek volgens tabel 3?
Vier typen patiënten komen in aanmerking voor periodiek klinisch onderzoek: (a) dragers van een VHL-kiembaanmutatie; (b) eerstegraadsfamilieleden (ouders, broers en zussen, kinderen) en tweedegraadsfamilieleden (grootouders, ooms, tantes, oom- en tantezeggers) in een VHL-familie waarin de kiembaanmutatie (nog) niet is aangetoond; (c) eerste- en tweedegraadsfamilieleden in een VHL-familie die geen DNA-diagnostiek willen; (d) patiënten (en eerstegraadsfamilieleden) met een typische VHL-tumor bij wie men een erfelijke tumor sterk vermoedt of blijft vermoeden.
conclusie
Wanneer men uitgaat van een verbeterde prognose door vroege diagnose, periodiek onderzoek en behandeling van VHL-patiënten is het inlichten van familieleden bij deze ziekte bij uitstek van belang. Het is wettelijk niet toegestaan familieleden van VHL-patiënten rechtstreeks te benaderen. Met een voorlichtingsbrochure (verspreid via de patiënt of via geïnformeerde familieleden) kunnen familieleden van informatie over VHL worden voorzien en gewezen worden op de mogelijkheid zelf erfelijkheidsadvisering te vragen. Op deze manier kunnen zij zelf kiezen of zij (hun nageslacht) voor onderzoek in aanmerking willen (laten) komen. VHL-patiënten kunnen zich voor voorlichting en advies wenden tot de belangenvereniging Von Hippel-Lindau (http://www.vhl.org).
Dr.F.J.Hes ontving subsidie van ZorgOnderzoek Nederland en de Janivo Stichting.
Het bestuur van de Landelijke VHL-werkgroep bestaat uit: dr.R.B.van der Luijt, moleculair-geneticus (Universitair Medisch Centrum, divisie Medische Genetica, Utrecht), dr.F.J. Hes, arts-onderzoeker (Universitair Medisch Centrum, divisies Inwendige Geneeskunde en Medische Genetica, Utrecht), dr.J.W.M.Lenders, internist (Academisch Ziekenhuis, afd. Inwendige Geneeskunde, Nijmegen), mw.dr.T.P.Links, internist-endocrinoloog (Academisch Ziekenhuis, afd. Inwendige Geneeskunde, Groningen), dr.G.P.M.Luyten, oogarts (Academisch Ziekenhuis, afd. Oogheelkunde, Rotterdam), mw.D.F. Majoor-Krakauer, klinisch geneticus (Academisch Ziekenhuis, afd. Klinische Genetica, Rotterdam) en dr.R.H.Sijmons, klinisch geneticus (Rijksuniversiteit, afd. Medische Genetica, Groningen). Prof.dr.C.J.M.Lips, internist-endocrinoloog (Universitair Medisch Centrum, divisie Inwendige Geneeskunde, Utrecht) is medisch adviseur van de werkgroep.

