Gepubliceerd op: 17-03-2000 (in print verschenen in week 11 2000)
Citeer dit artikel als:
 Ned Tijdschr Geneeskd. 2000;144:505-9
Stand van zaken
De ziekte van Von Hippel-Lindau: protocol voor diagnostiek en periodiek klinisch onderzoek

F.J. Hes

en

R.B. van der Luijt

- De ziekte van Von Hippel-Lindau (VHL) is een autosomaal dominant overervende aandoening met een hoge penetrantie en wordt gekenmerkt door tumoren in verschillende organen.

- De Landelijke VHL-werkgroep heeft, om het beleid van vroege opsporing en behandeling van VHL-patiënten in Nederland te ondersteunen, richtlijnen opgesteld voor DNA-diagnostiek en periodiek onderzoek.

- Bij een positieve familieanamnese kan de diagnose ‘VHL’ gesteld worden bij een patiënt met een typische VHL-tumor. Ook patiënten met een dergelijke tumor en met een negatieve familieanamnese kunnen de ziekte hebben.

- Door moleculair-genetisch onderzoek van het VHL-gen kan bij vrijwel alle VHL-families de diagnose worden bevestigd. Bij een patiënt bij wie VHL wordt vermoed is er een indicatie voor erfelijkheidsadvisering.

- Voor periodiek klinisch onderzoek komen in aanmerking: dragers van een VHL-kiembaanmutatie; familieleden uit VHL-families waarin geen kiembaanmutatie werd gevonden; familieleden uit VHL-families waarin de kiembaanmutatie bekend is, maar die geen DNA-diagnostiek wensen; patiënten bij wie de diagnose ‘VHL’ wordt overwogen, maar bij wie geen mutatie werd gevonden.


Zie ook het artikel op bl. 497.

De ziekte van Von Hippel-Lindau (VHL) is een autosomaal dominant overervende aandoening met een hoge penetrantie en wordt gekenmerkt door tumoren in verschillende organen. De meest voorkomende gezwellen zijn hemangioblastomen in de retina en het centraal zenuwstelsel, niercelcarcinomen, feochromocytomen, cyst(adenom)en in de nieren, het pancreas en de epididymis, endocriene pancreastumoren en een specifieke neurectodermale tumor van de saccus endolymphaticus van het binnenoor.12 De minimale frequentie bij de geboorte wordt geschat op 1:36.000.3

De Landelijke VHL-werkgroep heeft, om het beleid van vroege opsporing en behandeling van VHL-patiënten in Nederland te ondersteunen, adviezen opgesteld voor DNA-diagnostiek en periodiek klinisch onderzoek, op basis van internationale richtlijnen.45 De verwachting is dat vroegtijdige opsporing en behandeling van VHL-complicaties, vooral van hemangioblastomen en niercelcarcinomen, zowel morbiditeit als vroege sterfte van VHL-patiënten zullen doen afnemen.

diagnostische criteria

Kliniek.

Voor het stellen van de diagnose ‘VHL’ bij een patiënt zijn zowel klinische verschijnselen als de familieanamnese belangrijk. Typische met VHL samengaande tumoren zijn hemangioblastomen (van de retina of het centraal zenuwstelsel), feochromocytomen, niercelcarcinomen, tumoren van de saccus endolymphaticus en multipele pancreascysten.1 Multipele pancreascysten zijn specifiek voor VHL omdat ze zeldzaam zijn in de normale populatie. Cysten in de nier of de epididymis daarentegen komen relatief vaak voor in de populatie en zijn minder specifiek voor VHL.6

De diagnose ‘VHL’ wordt gesteld bij een patiënt met een typische VHL-tumor in combinatie met een positieve familieanamnese.17 Bij een patiënt met een negatieve familieanamnese moet men twee of meer hemangioblastomen, of een hemangioblastoom in combinatie met een andere typische VHL-tumor vinden om de diagnose te kunnen stellen.1

Moleculaire genetica.

Het gen dat in gemuteerde vorm voor de ziekte verantwoordelijk is, ligt op de korte arm van chromosoom 3 (3p25-26) en is onderverdeeld in 3 exonen.8 Het VHL-gen is een typisch tumorsuppressorgen zoals beschreven door Knudson in zijn ‘two hit’-theorie.9 Inactivatie (mutatie) van beide allelen van het gen leidt tot transformatie van een normale cel tot een tumorcel. Bij VHL-patiënten is door een kiembaanmutatie (dat wil zeggen een geërfde mutatie) één allel gemuteerd in alle cellen (de eerste ‘hit’). De tweede hit is een in de loop van het leven optredende mutatie in het andere allel (een zogenaamde somatische mutatie).

Door moleculair-genetisch onderzoek van DNA (verkregen uit lymfocyten uit perifeer bloed) wordt tegenwoordig in vrijwel alle VHL-families een geërfde mutatie aangetoond.10 Er wordt een groot aantal verschillende mutaties in het VHL-gen gevonden. Deze mutaties zijn in circa 60-70 van de VHL-families puntmutaties, microdeleties en -inserties in het coderende gedeelte van het VHL-gen. In de overige families is het VHL-gen geheel of gedeeltelijk gedeleteerd. Mutatieonderzoek wordt verricht met behulp van directe DNA-sequentieanalyse, ‘Southern blotting’ en fluorescentie-in-situhybridisatie (FISH).10

VHL-kiembaanmutaties worden ook bij patiënten gevonden die niet voldoen aan de klinisch-diagnostische criteria van VHL. Zo worden VHL-kiembaanmutaties gevonden bij 10 van de patiënten met schijnbaar sporadische hemangioblastomen,11 bij 1,6 van de patiënten met niercelcarcinomen,12 en bij 3 tot 9 van degenen met feochromocytomen.13 14

natuurlijk beloop

VHL wordt gekenmerkt door zowel inter- als intrafamiliaire variabiliteit in expressie van het ziektebeeld. Dat betekent dat zowel tussen verschillende families als binnen één familie de manifestaties en de leeftijd waarop verschijnselen ontstaan sterk kunnen verschillen. Bij VHL worden er twee fenotypen onderscheiden (tabel 1): families zonder feochromocytomen (VHL-type I) en families met feochromocytomen (VHL-type II). Mutaties die leiden tot volledig functieverlies van het VHL-eiwit worden vooral gezien bij een fenotype zonder feochromocytomen. Daarentegen hebben families met feochromocytomen specifieke zogenaamde ‘missense’-mutaties.15 Missensemutaties leiden tot een VHL-eiwit met slechts één veranderd aminozuur. Gezien de variabiliteit in de uiting van het ziektebeeld wordt vermoed dat bij de uitingen van VHL, naast de familiespecifieke mutatie in het VHL-gen, tevens externe factoren (zoals omgevingsinvloeden of leefgewoonten) en ook andere genen een rol spelen.16

De penetrantie van de ziekte (het tot uiting komen van het ziektebeeld bij dragers van de mutatie) wordt geschat op tenminste 90 bij de leeftijd van 60 jaar.4 De gemiddelde prevalenties van de verschillende tumoren worden in tabel 2 vermeld.14 17-21 Tumoren manifesteren zich bij VHL-patiënten in het algemeen op relatief jonge leeftijd. Deze leeftijd is echter afhankelijk van de intensiteit waarmee naar asymptomatische tumoren wordt gezocht. De gemiddelde leeftijd (met uiterste waarden) bij de diagnose bedraagt voor de afzonderlijke tumoren: retinale hemangioblastomen: 25 jaar (1-68); feochromocytomen: 28 jaar (10-56); cerebellaire hemangioblastomen: 30 jaar (11-78); niercelcarcinomen: 36 jaar (15-69).4 51822

Symptomen en complicaties van de afzonderlijke VHL-tumoren zijn reeds eerder in dit tijdschrift beschreven,23 en worden ook besproken door Los et al. elders in dit nummer.24 De meeste VHL-patiënten overlijden aan de gevolgen van een hemangioblastoom van het cerebellum (41-61,5) of van een niercelcarcinoom (27,3-47).418

nederlandse richtlijnen

DNA-diagnostiek.

Voor alle patiënten bij wie de ziekte van VHL wordt vermoed is zowel klinisch onderzoek (volgens tabel 3) als DNA-onderzoek geïndiceerd (figuur). DNA-onderzoek bij minderjarigen is uitsluitend mogelijk na overleg met een klinisch geneticus. Het aantonen van een VHL-kiembaanmutatie is van belang voor het bevestigen van de klinische diagnose en voor presymptomatische diagnostiek bij familieleden. Uitsluitend voor personen uit families waarin de VHL-mutatie bekend is, kan (presymptomatisch) DNA-onderzoek voor de diagnose volstaan.

DNA-onderzoek voor een VHL-mutatie wordt verricht door de divisie Medische Genetica van het Universitair Medisch Centrum Utrecht en de afdeling Klinische Genetica van het Academisch Ziekenhuis Rotterdam. Een aanvraag voor DNA-diagnostiek naar een VHL-mutatie moet aan de volgende 3 eisen voldoen: (a) aan de aanvraag moet een ‘informed consent’-procedure vooraf zijn gegaan; (b) er moet een volledig ingevuld aanvraagformulier worden ingediend (inclusief klinische gegevens en een stamboom); (c) er moeten 3 heparinebuizen met ieder 10 ml bloed worden ingeleverd (2 buizen voor DNA-diagnostiek en één voor FISH-onderzoek).

Presymptomatisch DNA-onderzoek kan uitsluitend worden aangevraagd door een klinisch geneticus. Diagnosebevestigend (symptomatisch) onderzoek kan door zowel de klinisch geneticus als de behandelend specialist worden aangevraagd. Overleg met een klinisch geneticus is al bij aanvraag van DNA-onderzoek van belang, ten eerste omdat de genetische diagnose consequenties heeft zowel voor de aanvrager zelf als voor zijn of haar familieleden, en ten tweede omdat voor een correcte interpretatie van het resultaat van DNA-onderzoek contact nodig is tussen de behandelend specialist en de klinisch geneticus. Bij (nog) niet alle VHL-families kan namelijk een mutatie worden vastgesteld. Dit heeft vooral consequenties indien er geen mutatie wordt gevonden bij een patiënt bij wie de diagnose ‘VHL’ wordt overwogen.

Wie komen in aanmerking voor periodiek klinisch onderzoek volgens tabel 3?

Vier typen patiënten komen in aanmerking voor periodiek klinisch onderzoek: (a) dragers van een VHL-kiembaanmutatie; (b) eerstegraadsfamilieleden (ouders, broers en zussen, kinderen) en tweedegraadsfamilieleden (grootouders, ooms, tantes, oom- en tantezeggers) in een VHL-familie waarin de kiembaanmutatie (nog) niet is aangetoond; (c) eerste- en tweedegraadsfamilieleden in een VHL-familie die geen DNA-diagnostiek willen; (d) patiënten (en eerstegraadsfamilieleden) met een typische VHL-tumor bij wie men een erfelijke tumor sterk vermoedt of blijft vermoeden.

conclusie

Wanneer men uitgaat van een verbeterde prognose door vroege diagnose, periodiek onderzoek en behandeling van VHL-patiënten is het inlichten van familieleden bij deze ziekte bij uitstek van belang. Het is wettelijk niet toegestaan familieleden van VHL-patiënten rechtstreeks te benaderen. Met een voorlichtingsbrochure (verspreid via de patiënt of via geïnformeerde familieleden) kunnen familieleden van informatie over VHL worden voorzien en gewezen worden op de mogelijkheid zelf erfelijkheidsadvisering te vragen. Op deze manier kunnen zij zelf kiezen of zij (hun nageslacht) voor onderzoek in aanmerking willen (laten) komen. VHL-patiënten kunnen zich voor voorlichting en advies wenden tot de belangenvereniging Von Hippel-Lindau (http://www.vhl.org).

Dr.F.J.Hes ontving subsidie van ZorgOnderzoek Nederland en de Janivo Stichting.

Het bestuur van de Landelijke VHL-werkgroep bestaat uit: dr.R.B.van der Luijt, moleculair-geneticus (Universitair Medisch Centrum, divisie Medische Genetica, Utrecht), dr.F.J. Hes, arts-onderzoeker (Universitair Medisch Centrum, divisies Inwendige Geneeskunde en Medische Genetica, Utrecht), dr.J.W.M.Lenders, internist (Academisch Ziekenhuis, afd. Inwendige Geneeskunde, Nijmegen), mw.dr.T.P.Links, internist-endocrinoloog (Academisch Ziekenhuis, afd. Inwendige Geneeskunde, Groningen), dr.G.P.M.Luyten, oogarts (Academisch Ziekenhuis, afd. Oogheelkunde, Rotterdam), mw.D.F. Majoor-Krakauer, klinisch geneticus (Academisch Ziekenhuis, afd. Klinische Genetica, Rotterdam) en dr.R.H.Sijmons, klinisch geneticus (Rijksuniversiteit, afd. Medische Genetica, Groningen). Prof.dr.C.J.M.Lips, internist-endocrinoloog (Universitair Medisch Centrum, divisie Inwendige Geneeskunde, Utrecht) is medisch adviseur van de werkgroep.

Aanvaard op 18 November 1999

Namens het bestuur van de Landelijke Von Hippel-Lindau(VHL)-werkgroep, waarvan de samenstelling aan het eind van dit artikel wordt vermeld.

Universitair Medisch Centrum, divisie Medische Genetica, Postbus 85.090, 3508 AB Utrecht.
Dr.F.J.Hes, arts-onderzoeker (tevens: divisie Inwendige Geneeskunde); dr.R.B.van der Luijt, moleculair-geneticus.
Correspondentieadres: dr.R.B.van der Luijt (r [dot] b [dot] vanderluijt [at] med [dot] uu [dot] nl).

Literatuur
  1. Maher ER, Kaelin jr WG. Von Hippel-Lindau disease.Medicine (Baltimore) 1997;76:381-91.

  2. Neumann HP, Lips CJM, Hsia YE, Zbar B. Von Hippel-Lindausyndrome. Brain Pathol 1995;5:181-93.

  3. Maher ER, Iselius L, Yates JR, Littler M, Benjamin C,Harris R, et al. Von Hippel-Lindau disease: a genetic study. J Med Genet1991; 28:443-7.

  4. Maher ER, Yates JR, Harries R, Benjamin C, Harris R, MooreAT, et al. Clinical features and natural history of von Hippel-Lindaudisease. Q J Med 1990;77:1151-63.

  5. Choyke PL, Glenn GM, Walther MM, Patronas NJ, Linehan WM,Zbar B. Von Hippel-Lindau disease: genetic, clinical, and imaging features.Radiology 1995;194:629-42.

  6. Seizinger BR, Smith DI, Filling-Katz MR, Neumann H, GreenJS, Choyke PL, et al. Genetic flanking markers refine diagnostic criteria andprovide insights into the genetics of Von Hippel Lindau disease. Proc NatlAcad Sci USA 1991;88:2864-8.

  7. Melmon KL, Rosen SW. Lindau's disease. Review of theliterature and study of a large kindred. Am J Med 1964;36:595-617.

  8. Latif F, Tory K, Gnarra J, Yao M, Duh FM, Orcutt ML, etal. Identification of the von Hippel-Lindau disease tumor suppressor gene.Science 1993;260:1317-20.

  9. Knudson jr AG. Mutation and cancer: statistical study ofretinoblastoma. Proc Natl Acad Sci USA 1971;68:820-3.

  10. Stolle C, Glenn G, Zbar B, Humphrey JS, Choyke P, WaltherM, et al. Improved detection of germline mutations in the von Hippel-Lindaudisease tumor suppressor gene. Hum Mutat 1998;12:417-23.

  11. Olschwang S, Richard S, Boisson C, Giraud S, Laurent-PuigP, Resche F, et al. Germline mutation profile of the VHL gene in vonHippel-Lindau disease and in sporadic hemangioblastoma. Hum Mutat1998;12:424-30.

  12. Neumann HP, Bender BU, Berger DP, Laubenberger J,Schultze-Seemann W, Wetterauer U, et al. Prevalence, morphology and biologyof renal cell carcinoma in von Hippel-Lindau disease compared to sporadicrenal cell carcinoma. J Urol 1998;160:1248-54.

  13. Brauch H, Hoeppner W, Jahnig H, Wohl T, Engelhardt D,Spelsberg F, et al. Sporadic pheochromocytomas are rarely associated withgermline mutations in the vhl tumor suppressor gene or the ret protooncogene.J Clin Endocrinol Metab 1997;82:4101-4.

  14. Harst E van der, Krijger RR de, Dinjens WN, Weeks LE,Bonjer HJ, Bruining HA, et al. Germline mutations in the vhl gene in patientspresenting with phaeochromocytomas. Int J Cancer 1998;77:337-40.

  15. Stebbins CE, Kaelin jr WG, Pavletich NP. Structure of theVHL-ElonginC-ElonginB complex: implications for VHL tumor suppressorfunction. Science 1999;284:455-61.

  16. Webster AR, Richards FM, MacRonald FE, Moore AT, MaherER. An analysis of phenotypic variation in the familial cancer syndrome vonHippel-Lindau disease: evidence for modifier effects. Am J Hum Genet1998;63:1025-35.

  17. Manski TJ, Heffner DK, Glenn GM, Patronas NJ, Pikus AT,Katz D, et al. Endolymphatic sac tumors. A source of morbid hearing loss invon Hippel-Lindau disease. JAMA 1997;277:1461-6.

  18. Richard S, Campello C, Taillandier L, Parker F, Resche F.Haemangioblastoma of the central nervous system in von Hippel-Lindau disease.French VHL Study Group. J Intern Med 1998;243:547-53.

  19. Binkovitz LA, Johnson CD, Stephens DH. Islet cell tumorsin von Hippel-Lindau disease: increased prevalence and relationship to themultiple endocrine neoplasias. Am J Roentgenol 1990;155:501-5.

  20. Choyke PL, Glenn GM, Wagner JP, Lubensky IA, Thakore K,Zbar B, et al. Epididymal cystadenomas in von Hippel-Lindau disease. Urology1997;49:926-31.

  21. Webster AR, Maher ER, Moore AT. Clinical characteristicsof ocular angiomatosis in von Hippel-Lindau disease and correlation withgermline mutation. Arch Ophthalmol 1999;117:371-8.

  22. Neumann HP. Basic criteria for clinical diagnosis andgenetic counselling in von Hippel-Lindau syndrome. Vasa1987;16:220-6.

  23. Veltman GAM, Arntzenius AB, Oosterwijk JC, Lycklamaà Nijeholt AAB, Roelfsema F. Tumoren buiten het centrale zenuwstelselbij de ziekte van Von Hippel-Lindau.Ned Tijdschr Geneeskd1996;140:823-6.

  24. Los M, Links TP, Lenders JWM, Voest EE. De ziekte van VonHippel-Lindau. Ned Tijdschr Geneeskd2000;144:497-501.

Reactie toevoegen

Er zijn nog geen reacties geplaatst.