Renckens, voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij, bespreekt de naar zijn mening bedenkelijke rivalen van de gevestigde grote medische fondsenwervers in ons land (2000:332-4). Het gaat dan om het Nationaal Hartfonds, het Nationaal Fonds tegen Kanker en de Nederlandse Reumastichting.
Eén van de overeenkomsten tussen deze drie fondsen zou volgens Renckens zijn de kring waaruit de meeste wetenschappelijke adviseurs zijn gerekruteerd. In het stuk wordt in de betreffende passage geïnsinueerd dat ondergetekende, dan wel het Ortho Institute of de Ortho Company, welk bedrijf overigens is gevestigd in Gendringen, verbonden zouden zijn met de genoemde fondsen. Pas op 19 februari jl., dus ná publicatie van genoemd stuk, heeft Renckens bij mij geïnformeerd of die betrokkenheid er was.
Zonder nader in te gaan op de stelling van Renckens dat het hier bedenkelijke fondsen betreft en dat de oprichting van de drie fondsen onderdeel is van een gerichte strategie van de orthomoleculaire industrie, wil ik hierbij aangeven niets met de betreffende fondsen te maken te hebben. Dat de oprichting van de drie fondsen onderdeel is van een gerichte strategie van dé orthomoleculaire industrie, is dan ook een conclusie van het type ‘lange halen, snel thuis’. Het ongefundeerd besluiten tot een binding tussen de orthomoleculaire industrie en de fondsen die door Renckens ‘kwakfondsen’ worden genoemd, is dan ook aanmatigend voor de serieuze beoefenaars van de orthomoleculaire geneeskunde.
Het verhaal wordt zeer eentonig: ook Schuitemaker heeft dus niets met de kwakfondsen te maken. Dat ik hem pas aanschreef na kennisneming van de brieven van Valstar, Nieuwenhuis en De Klijn komt omdat hij toen als voornaamste betrokkene overbleef. Dat ik de door mij als meest waarschijnlijk veronderstelde ‘kandidaten’ niet van tevoren aanschreef, kwam omdat ik geen eerlijk antwoord verwachtte. De wijze waarop met behulp van stromannen de oorspronkelijke initiator van de kwakfondsen aan het gezicht wordt onttrokken stemde mij in dit opzicht weinig optimistisch.
Helaas blijft vooralsnog onbekend wie deze genius is. Schuitemaker kan het raadsel - net als Valstar, Nieuwenhuis et al. - makkelijk oplossen door voor ons even navraag te doen bij de chemicus Vogelaar, die hem opvolgde als voorzitter van de Maatschappij ter Bevordering der Orthomoleculaire Geneeskunde en die in de raad van advies van het Nationaal Hartfonds zit, of bij de orthomoleculair arts Trossèl, die publiceert in Schuitemakers blad Ortho en die Smalhout trachtte te interesseren voor het Nationaal Hartfonds. Zolang dat niet gebeurt en men elkaar in de wereld van de ‘serieuze beoefenaars van de orthomoleculaire geneeskunde’ in bescherming blijft nemen, kan mij niets worden verweten.

