Helpt een interventieprogramma voor het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) de toename van overgewicht onder scholieren te voorkomen? Om die vraag te beantwoorden zette het EMGO Instituut van het VU Medisch Centrum in Amsterdam een forse gerandomiseerde studie op, ‘DOiT’ gedoopt: ‘Dutch obesity intervention in teenagers’. Op 10 scholen kregen eersteklassers (in totaal bijna 1000 kinderen; gemiddelde leeftijd: 12,7 jaar) extra lessen in biologie en lichamelijke opvoeding, terwijl de schoolleiding werd aangemoedigd om meer aandacht te besteden aan gymnastiek en om het snoepaanbod op school te verminderen; 8 scholen dienden als vergelijkingsmateriaal.
Primaire uitkomstmaten waren tailleomvang, queteletindex en de dikte van 4 huidplooien. Daarnaast werd gekeken naar veranderingen in dieet en lichamelijke activiteit. In de Archives of Pediatrics and Adolescent Medicine (2009;163:309–17) melden de onderzoekers, onder aanvoering van Amika Singh, de resultaten na een follow-upperiode van 20 maanden.
Alleen bij meisjes was de som van de huidplooidikten in de interventiegroep minder toegenomen dan in de controlegroep; tussen de groepen jongens was er wel een verschil bij 3 van de 4 afzonderlijke metingen, maar bij de som niet. De verschillen waren niet groot: de bicepsplooi bij meisjes bijvoorbeeld ging van gemiddeld 8,9 naar 9,2 mm in de interventiegroep en van 9,1 naar 10,8 mm in de controlegroep, bij een standaarddeviatie van rond de 4 mm. Bij andere maten scheelde het amper, en bij jongens was de tailleomvang in de controlegroep na 20 maanden significant minder toegenomen dan in de interventiegroep (4,8 tegen 5,8 cm).
Sommige gedragseffecten die na een follow-upperiode van 12 maanden waren gemeten, waren weer verdwenen bij de latere meting, en andersom. Maar het invullen van de vragenlijst kostte de leerlingen telkens een uur, en de onderzoekers zijn er niet zeker van dat de deelnemers elke keer even consciëntieus waren. Wat de consumptie van frisdrank en zoetigheid betreft, maakte het interventieprogramma na 20 maanden niet uit, en de meeste kinderen fietsten toch al naar school.
Hoewel de onderzoekers menen dat ‘het programma resulteerde in weldadige effecten’ (althans bij de positief bevonden uitkomstmaten) en dat het een ‘veelbelovend bewijs voor de bijdrage van interventies op scholen’ levert, noemt een commentator in hetzelfde tijdschrift het resultaat ‘gemengd’. Zoals in al dit soort studies, schrijft Leslie Lyle, zijn de effecten bescheiden en inconsistent, en nog steeds blijft onduidelijk in hoeverre de gevonden verschillen werkelijk aan het lesprogramma zijn toe te schrijven. Hij zet in ieder geval vraagtekens bij simpele oplossingen als het verwijderen van snoep- en frisdrankautomaten: als de hele omgeving obesitas bevordert, heeft het geen zin daar een element in te wijzigen, meent hij.
Volgens de Amsterdamse onderzoekers was het de bedoeling dat het ‘DOiT’-programma weinig investering van de scholen zou vergen, maar dit viel in de praktijk nogal tegen. Leerkrachten klaagden dat het meer tijd kostte dan verwacht en vonden het programma ‘veeleisend’. ‘Dit doet vermoeden dat een intensievere interventie minder haalbaar is in het huidige Nederlandse schoolsysteem’, waarschuwen de onderzoekers.

