Bas de Mol
Op 26 oktober jongstleden rapporteerde de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) dat een aantal leden van commissies die adviseren over behandelrichtlijnen en geneesmiddelenformularia banden heeft met de farmaceutische industrie (www.igz.nl/15451/1772327/2009-10_Behandelrichtlijnen1.pdf).1 De kern van het verwijt is dat banden met de industrie niet zichtbaar worden voor de medecommissieleden, de opdrachtgevers en de gebruikers van de richtlijn. Er kan dan sprake zijn van een ontoelaatbare belangenverstrengeling en dus van een belangenconflict.
Voorbeelden uit de zorg rondom hart- en vaatziekten illustreren dat de IGZ verwijst naar de realiteit dat belangenverstrengeling in de zorg niet alleen aangemoedigd wordt, maar eerder de regel is. Dit geldt niet alleen voor geneesmiddelen en implantaten, maar ook voor klinisch onderzoek, uitbreiding van centra voor gespecialiseerde zorg zoals dottercentra en het invoeren van nieuwe behandelingen. In principe niets mee mis, maar zorginnovatie is een belangenmarkt met een grote rol voor ‘deskundigen’, die voor patiënt en publiek op zijn ...
Meld u aan voor de wekelijkse e-alert met de actuele inhoudsopgave.



Reacties
Belangenverstrengeling een gordiaanse knoop?
Industriële betrokkenheid bij onderzoek gericht op zorginnovatie moge zo zijn voordelen hebben, voor een onderzoeksinstelling die wil meetellen als die van De Mol noodzakelijk zijn en laat zonder twijfel innovatieprocessen vaak zelfs beter geolied verlopen.
Problematisch wordt belangenverstrengeling evenwel als degenen die over de algemene invoering van de vernieuwingen moeten oordelen dezelfde personen zijn als die degenen die aan het ontwikkelingsproces hebben deelgenomen. Dat is het onderwerp van het rapport van de Inspectierapport. Daarbij maakt het in beginsel weinig verschil of die beoordeling plaatsvindt in het kader van het opstellen van een richtlijn, een vergunningsverstrekking of vergoedingsregeling.
De Mol blijkt er zonder meer vanuit te gaan dat voor de besluitvorming niet zonder deskundigen die het nieuwe geneesmiddel of de nieuwe medische technologie zelf hebben onderzocht of collega’s die aan gelijksoortige ontwikkelingen werken, kan plaatsvinden. Daar wringt nou precies de schoen. Ook als er geen directe financiële belangen zijn, blijken veel onderzoekers het maar wat prettig te vinden als het door hen ontwikkelde product een prominente positie krijgt toegemeten of hun inzicht vertaald wordt in een aanbeveling in een richtlijn. Daarbij bestaat kans dat de voordelen worden aangedikt en de nadelen over het hoofd worden gezien. Deze partijdigheid, elders door mij betiteld als intellectuele belangenverstrengeling, komt veel voor en berust op een normaal menselijke psychische behoefte aan zingeving van eigen activiteiten alsmede behoefte aan aanzien.
Zorginnovaties kunnen om iedere vooringenomenheid te vermijden beter met enige distantie kunnen worden beoordeeld. Daarvoor is een simpele remedie die evenwel verder reikt dan openheid over belangen: weer nauw betrokken deskundigen – en zeker degenen die menen dat hun bemoeienis niet gemist kan worden - uit het beoordelingsproces en raadpleeg ze alleen ter opheldering van onduidelijkheden. Medisch wetenschappelijke ontwikkelingen zijn immers tegenwoordig wereldwijd toegankelijk via internationaal opererende tijdschriften. De relevantie van deze ontwikkelingen kan in veel gevallen ook heel goed worden beoordeeld door mensen die wat minder dicht op het ontwikkelingsvuur zitten.