Geneesmiddelinteractie tussen kankermedicijnen en geneesmiddelen verstrekt door de openbare apotheek komt veelvuldig voor. Dat is de conclusie van een Nederlandse studie die 20 juli door Pharmacy World & Science online is geplaatst (doi:10.1007/s11096-010-9410-0).
In Nederland zijn de medicatiesystemen van de ziekenhuisapotheek en de openbare apotheek niet gekoppeld waardoor mogelijke geneesmiddelinteracties tussen de door beide apotheken verstrekte medicijnen niet altijd opgemerkt worden. Marsha Voll et al. hebben in een retrospectief onderzoek gekeken hoe vaak een mogelijk interactie tussen deze geneesmiddelen voorkomt.
Bij 91 kankerpatiënten die poliklinisch werden behandeld met chemotherapie in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam werd nagegaan welke middelen waren verstrekt door de ziekenhuisapotheek. Daarnaast vroegen Voll et al. bij openbare apotheken het medicijngebruik van deze patiënten op waarna naar het bestaan van een mogelijke wisselwerking werd gezocht.
In totaal werden bij 16 patiënten 31 mogelijke geneesmiddelinteracties gevonden. Bij 15 interacties bij 6 patiënten was ingrijpen eigenlijk genoodzaakt. Eén interactie was dermate ernstig dat deze zou kunnen leiden tot langdurige schade of overlijden.
De meeste geneesmiddelinteracties werden gezien bij antivirale geneesmiddelen (40%), protonpompremmers (20%) en antibiotica (20%). Methotrexaat was het kankermedicijn waarbij het vaakst een wisselwerking met andere geneesmiddelen werd gezien.
Omdat de interacties zijn opgespoord met behulp van literatuurgegevens hierover, is het echter de vraag hoe vaak een mogelijke interactie daadwerkelijk heeft geleid tot een situatie waarbij ingrijpen nodig was, schrijven Voll et al. Het is echter onmogelijk in een prospectieve studie grondig uit te zoeken hoe vaak dat gebeurt, vanwege ethische bezwaren. Dan zou immers niet ingegrepen kunnen worden bij patiënten waarbij een mogelijke geneesmiddelinteractie wordt opgemerkt. Het onderzoek laat zien dat er behoefte is aan medicatiebewakingsystemen die deze interacties kunnen opmerken, aldus Voll et al. (Bijdrage: Twan van Venrooij.)
