Van al het proefdieronderzoek naar beroerte blijven de resultaten van 1 op 7 experimenten ongepubliceerd. Het resultaat van deze publicatiebias is dat reviewartikelen de effectiviteit van therapie in diermodellen met een derde overdrijven. Dat schrijven Emily Sena van de universiteit van Edinburgh (VK) en collega’s in PLoS Biology (doi:10.1371/journal.pbio.1000344).
Sena et al. analyseerden gegevens uit de ‘Collaborative approach to meta-analysis and review of animal data in experimental studies’-database, met als doel prevalentie en impact van publicatiebias bij proefdierstudies naar beroerte in te schatten.
De onderzoekers vonden 16 reviews (525 unieke publicaties) en 11 ongepubliceerde studies, die in totaal 1.359 experimenten bij 19.956 proefdieren beschreven. Slechts 10 publicaties (2%) rapporteerden een niet-significant effect van de bestudeerde therapie op infarctgrootte en de resultaten van 214 experimenten werden niet gerapporteerd (14%). Twee statistische analyses toonden aan dat de resultaten van veel interventies vertekend waren. ‘Trim and fill’-analyse, waarbij resultaten van ‘ontbrekende studies’ tegenovergesteld aan beschikbare resultaten worden ingevuld, bracht bovendien naar voren dat na correctie voor publicatiebias de interventie-effectiviteit van 31,3% naar 23,8% daalde. De resultaten van experimenten met 3.600 dieren werden niet gepubliceerd.
Het niet publiceren van (negatieve) resultaten roept ethische bezwaren op. Ten eerste dragen de gebruikte proefdieren zo niet bij aan kennisvermeerdering en ten tweede staan patiënten in klinische trials onnodig bloot aan risico’s wanneer de effectiviteit van therapie in diermodellen is overschat.
In een ander artikel in PLoS Medicine (doi:10.1371/journal.pmed.1000245) beschrijven Bart van der Worp (UMC Utrecht) et al. de controverses van het vertalen van dierproefresultaten naar klinische trials.
Ongeveer 500 neuroprotectieve therapieën lijken op basis van proefdieronderzoek succesvol, maar alleen acetylsalicylzuur en vroege intraveneuze trombolyse met alteplase zijn effectief bij mensen. Dit komt door tekortkomingen van klinische trials of door gebrekkige proefdierstudies.
Onderzoek moet volgens de auteurs over een goede interne validiteit beschikken, zodat het geobserveerde verschil daadwerkelijk toe te schrijven is aan de onderzochte interventie. Om bias uit te sluiten zijn randomisatie, blindering, voldoende steekproefgrootte en het gebruik van de juiste statistische toets van groot belang. Ook bij dierproeven.
Toch is minder dan 30% van het proefdieronderzoek gerandomiseerd en nog minder studies geblindeerd. Slechts 0-3% van de artikelen meldt steekproefgrootte-berekeningen.
Ook externe validiteit is belangrijk. Pathofysiologische verschillen tussen mens en dier, comorbiditeit en comedicatie bemoeilijken de vertaling van dierproef naar kliniek echter. De onderzoekers geven een aantal voorbeelden van factoren die de externe validiteit verminderen. 75% van de patiënten met een acute beroerte heeft hypertensie en 68% heeft hyperglykemie. Slechts 10% van de proefdierstudies gebruikt dieren met hypertensie en < 1% dieren met diabetes.
De auteurs menen dat onderzoek met proefdieren aan dezelfde standaarden moet voldoen als klinisch onderzoek om ervoor te zorgen dat besluitvorming is gebaseerd op onderzoeksgegevens van hoge kwaliteit.

