Niet alle patiënten met vancomycineresistente enterokokken (VRE) hoeven geïsoleerd verpleegd te worden. Dragers van VRE met het genotype vanC hebben namelijk een zeer laag risico op een invasieve infectie met deze bacterie. Dat blijkt uit onderzoek van het universiteitsziekenhuis in Bazel (Zwitserland) en het Universitair Medisch Centrum Utrecht, onder leiding van Sarah Tschudin-Sutter (Clin Infect Dis. 2010; doi: 10.1086/655824).
Het Amerikaanse Centers for Disease Control and Prevention (CDC) beveelt isolatie aan van alle patiënten die drager zijn van of geïnfecteerd zijn met VRE, ongeacht het genotype. Diverse ziekenhuizen in Nederland en Zwitserland volgen deze richtlijn niet op voor het in Europa veel voorkomende genotype vanC. In de VS komen de typen vanA en vanB veel voor.
Tussen januari 2000 en juli 2008 werden in Bazel 273 patiënten op een beenmergtransplantatieafdeling routinematig gescreend op VRE. Tschudin-Sutter en collega’s identificeerden uit die screening 290 vanC-isolaten (98%), een incidentie van 29-43 patiënten per jaar. 285 vanC-isolaten kwamen uit rectale monsters (dragers) en slechts 5 kwamen uit andersoortige monsters (mogelijk invasieve infectie). De onderzoekers ontdekten slechts 1 positief bloedmonster (incidentie: 0,4%). Geen van de patiënten met vanC-VRE had behandeling daarvoor nodig. De onderzoekers registreerden geen uitbraken van vanC-VRE-infecties.
Volgens de auteurs bewijst hun onderzoek dat dragers van VRE type vanC niet op een isolatiekamer hoeven. Zij stellen dan ook voor dat de CDC haar richtlijnen over vanC aanpast, zodat patiënten onnodige isolatie bespaard blijft. Een vereiste is wel dat het VRE-genotype routinematig bepaald moet worden in gebieden waar type vanC veel voorkomt.
