Niet alleen de kwaliteit van leven en de stemming kunnen verbeteren bij inschakeling van een palliatief team. Ook de overleving kan erbij gebaat zijn, ondanks een minder agressieve behandeling in de laatste levensfase.
Dat is de uitkomst van een gerandomiseerd en gecontroleerd – maar niet geblindeerd – onderzoek in het Massachusetts General Hospital in Boston (N Engl J Med. 2010;363:733-42). Daar werden van 2006 tot en met 2009 151 patiënten met recent ontdekt gemetastaseerd niet-kleincellig longcarcinoom gerandomiseerd naar vroege palliatieve ondersteuning of standaard zorg. De eerste groep kon binnen 3 weken terecht bij het palliatieve team van artsen en verpleegkundigen. Dit poliklinische team besteedde gestructureerd aandacht aan fysieke en psychosociale symptomen, hielp bij het vaststellen van zorgdoelen en bij beslissingen over de behandeling, en coördineerde de zorg. Patiënten die standaard zorg ontvingen, konden op eigen verzoek of op verwijzing terecht bij het palliatieve team. Een kleine minderheid maakte daarvan gebruik.
Na 3 maanden waren de patiënten in de palliatieve groep minder somber en hadden een betere kwaliteit van leven. Zij kregen minder vaak chemotherapie in de laatste 2 weken van hun leven, en werden langer opgenomen in een hospice (11 versus 4 dagen). Toch leefden zij langer: mediaan 11,6 maanden tegen 8,9 voor de patiënten in de controlegroep.
In een begeleidend commentaar stellen de New Yorkse artsen Amy Kelley en Diane Meier dat de uitkomsten het denken over palliatieve zorg op zijn kop zetten (N Engl J Med. 2010;363:781-2). Volgens hen zien veel (Amerikaanse) artsen het inzetten van palliatieve zorg nog vooral als alternatief voor pogingen tot curatie. De Bostonse studie maakt duidelijk dat oncologen bepaald niet de handdoek in de ring gooien wanneer ze een palliatief team inschakelen. Palliatieve zorg moet worden geïntegreerd in de gebruikelijke, evidence-based behandeling van ernstige ziekten, vinden zij.
(Bijdrage: Esther van Osselen.)

