‘Not invented by me’
Boermeester begon: ‘’Not invented by me’, is de standaardreactie van de beroepsgroep en daarmee een enorme drempel om wetenschap in de dagelijkse praktijk te gebruiken.’ Ze haalde daar 3 voorbeelden uit eigen onderzoek voor aan. Volgens haar gaat de implementatie van levensreddende innovaties nog net zo traag als destijds bij Semmelweis. Van de SURPASS-vragenlijst is bijvoorbeeld aangetoond dat die de perioperatieve sterfte met de helft en het aantal complicaties met een derde kan verminderen. Ook vorig jaar op de eerste NTvG Dag ging het al een beetje over deze trial (Ned Tijdschr Geneeskd. 2010;154:C760). ‘Implementatie van de SURPASS wordt ernstig gehinderd door de Semmelweis-reflex bij artsen. Als er al iets doordruppelt van het bewijs, dan nog doet iedereen het anders. Boermeester citeerde een enquête waaruit bleek dat een jaar na de oorspronkelijke publicatie (NEJM. 2010;363:1928-37) slechts 1 ziekenhuis (het AMC) de originele SURPASS-checklist gebruikt en maar liefst twee derde van de ziekenhuizen een geheel zelf ontworpen lijst. Boermeester haalde ook de RELAP-trial aan, onderzoek over het beleid bij patiënten met een peritonitis. De relaparotomie op indicatie was aanzienlijk kosteneffectiever dan de voorheen standaard geplande relaparotomie. Een jaar na de publicatie (JAMA. 2007;298:865-72) deden chirurgen weliswaar minder vaak alleen maar een geplande relaparotomie dan voorheen, maar standaard deed vrijwel niemand nu alleen maar een relaparotomie op indicatie. De meesten polderden er op los, met nu eens een geplande relaparotomie en dan weer een op indicatie. En als laatste voorbeeld: ondanks onderzoek dat een standaard X-thorax of X-BOZ geen enkel nut hebben bij de diagnostiek van acute buikpijn, blijven seh-artsen die gewoon aanvragen. ‘Artsen zijn vaak te eigenwijs en hebben allerlei ideeën waarom de uitkomsten van onderzoek voor hen of hun patiënten niet gelden. Ze zijn veel te langzaam met het doorvoeren van veranderingen.’ Wetenschappelijke verenigingen en Raden van Bestuur moeten volgens Boermeester belangrijke wijzigingen dwingender invoeren. De verenigingen moeten dan wel hun richtlijnen veel sneller aanpassen en hun werkgroepen omvormen tot ‘critical appraisal’-groepen in plaats van jaren lang op complete richtlijnen te broeden.
Laat patiënten de agenda meebepalen
Rudi Westendorp schetste de kloof vanuit een heel ander perspectief: dat van de patiënt. ‘Het is mis in het poldermodel, omdat wetenschappers te ver zijn afgedreven van de patiënten, zodat het maatschappelijk draagvlak voor onderzoek verdwijnt. Misschien loopt het met de wetenschap zoals met de kunst en is het publiek ons zat. Het publiek moet de agenda daarom mede bepalen om het schisma tussen wetenschap en praktijk op te lossen.’ Juist basaal onderzoek moet volgens hem midden in de maatschappij staan en hij gaf het voorbeeld van het Centre for Life in Newcastle (http://www.life.org.uk). Daar werken wetenschappers letterlijk boven een DNA-pretpark over wetenschap. Op deze manier creëer je draagvlak ook voor basaal onderzoek.
Mosterdpleisters zijn het alternatief
‘The difference between man and animals is the desire to take pills’. Met dit citaat van William Osler schetste Bert Keizer het dilemma van de arts in het verpleeghuis. ‘Veel van wat ik doe is placebo, maar wetenschappelijk onderzoek is wel de kustlijn waarlangs je vaart. Je moet die wel in het oog houden, anders drijf je helemaal weg op de zee van de mosterdpleisters.’ Volgens Keizer is het grootste probleem dat de theorie vaak niet past op de dagelijkse praktijk – zo er al een theorie is. Keizer kan zich nog wel voorstellen dat de orthopedische praktijk op de orthopedische theorie leunt, maar ‘in een vak als de psychiatrie wringt het in ieder geval. Een classificatiesysteem zoals de DSM is natuurlijk helemaal geen theorie.’ Heel vaak zijn de deskundigen het ook niet met elkaar eens ‘Wie moet je nu geloven? Het Geneesmiddelenbulletin of het RIVM als het om griep gaat?’ Bij diagnostiek gaat het, volgens Keizer, vaak ook niet om rationele overwegingen maar om angst en onzekerheid. ‘In de geneeskunde gaat het naast biochemie ook om hoop, cynisme, doodsangst en bijgeloof en het lukt gewoon niet om dat allemaal in het gareel te krijgen. Het werkt niet zoals je het geleerd hebt en daarmee moet je als dokter leren leven.’
Balanceren tussen verleiden en dwingen
In het levendige debat ging het al snel over verleiden. Waarom komen dokters toch altijd met ‘de oude Semmelweis’, waarom schakelen we de jongens en meisjes met marketingtechnieken niet in? De markt weet immers wel hoe gedrag te veranderen is. We drinken, volgens Jan Swinkels, hoogleraar psychiatrie en richtlijnmaker, immers ook vieze senseo-koffie. En natuurlijk kwam zoals bij alle discussies over richtlijnen en veiligheid de luchtvaart weer ter sprake. Volgens Keizer is het verschil tussen luchtvaart en zorg echter heel simpel. ‘Dingen lukken in de luchtvaart wel, omdat de piloot zelf ook dood gaat als hij een fout maakt.’
De vraag bij het dichten van de kloof tussen theorie en praktijk is ook wie nu wie moet overtuigen: is het niet doorvoeren van innovaties een probleem omdat artsen elkaar niet aanspreken of vragen patiënten er niet genoeg om? En perverse prikkels (gewoon het geld), die belemmert adequaat toepassen van nieuwe kennis ook. Terwijl volgens Westendorp ‘natuurlijk alleen de blote wetenschappelijke feiten moeten tellen.’
Boermeester riep in haar slotverklaring op ‘eindelijk te stoppen met polderen en eindeloos over details te overleggen. Gewoon, laag hangend fruit benoemen, pakken en elkaar daar aan houden.’
Keizer had als filosoof een andere oproep: ‘Artsen moeten ophouden met alleen naar een nier te kijken en vergeten dat die nier in een heel lijf zit’.
Westendorp wilde tenslotte patiënten opleiden een rol te spelen bij het beter afstemmen van onderzoek en praktijk.
Met debatten vul je de kloof tussen wetenschap en praktijk niet, maar leuk was het wel. Na een intermezzo met allerlei prijswinnaars voor personen die zich in het afgelopen jaar voor het Tijdschrift verdienstelijk hadden gemaakt, hield Klazien Horstman, hoogleraar filosofie van de publieke gezondheidszorg in Maastricht de jaarlijkse NTvG Lezing. In een interview met Lucas Mevius en Karen van Weelden licht zij haar kijk op die kloof tussen wetenschap en goede dokters toe (Ned Tijdschr Geneeskd. 2011;155:C1148).
Tot slot van de dag kreeg Christina Vandenbroucke, aftredend voorzitter van het bestuur van de Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, de gouden Donderspenning voor haar verdiensten voor het NTvG.
Volgend jaar is er weer een NTvG Dag in de Rode Hoed: op 3 november. Het thema is nog niet bekend, maar interessant wordt het zeker.
Prijswinnaars
Het NTvG kent sinds 2 jaar zijn eigen prijzenfestival: voor het meest gedownloade artikel, voor de beste referent en voor de beste sectieredacteur. Tussen debat en NTvG Lezing zette namens de hoofdredactie Peter de Leeuw 3 mensen in het zonnetje.
Jos Wielders, klinisch chemicus in het Meander Medisch Centrum in Amersfoort, kreeg de prijs voor het meest gedownloade artikel. Hij schreef een Stand van zaken over vitamine D (A1840). Het artikel werd op de website 1637 keer bekeken van 1 september 2010 tot en met 31 augustus 2011.
Martijn van Oijen, klinisch epidemioloog van de afdeling Maagdarmleverziekten van het UMCU kreeg de prijs voor de beste referent. Snelheid en gedegenheid van de beoordeling zijn voor de toekenning van deze prijs de belangrijkste criteria.
Jaap Stoker, hoogleraar radiologie in het AMC, was volgens de hoofdredactie de beste sectieredacteur. Sectieredacteuren zijn voor de hoofdredactie heel belangrijk in het beoordelingsproces van manuscripten. Ze selecteren reviewers, beoordelen manuscripten en komen met nieuwe ideeën.
Jonge-auteursprijs
Traditiegetrouw deelde een onafhankelijke jury van sectieredacteuren, dit jaar bestaande uit Dink Legemate, Karien Stronks en Siep Thomas, de jonge-auteursprijs uit voor het beste artikel in het afgelopen academisch jaar van een auteur jonger dan 40 jaar. Lisette van den Bemt, onderzoeker van de afdeling Eerstelijnsgeneeskunde van het UMC St Radboud kreeg de jonge-auteursprijs voor het artikel over het gebrek aan aanwijsbaar nut van periodieke controles van patiënten met COPD door huisartsenlaboratoria (A2123).

