Print deze samenvatting
Home
Gepubliceerd op: 03-05-2010 (in print verschenen in week 18 2010)
Citeer dit artikel als:
 Ned Tijdschr Geneeskd. 2010;154:A1572
Onderzoek
  • Open
  • Student
Systematische review voor de huisartsenpraktijk*

Just A.H. Eekhof

,

Arie Knuistingh Neven

,

Sander P. Gransjean

en

Willem J.J. Assendelft

Doel

Het in kaart brengen van het bewijs voor de gebruikelijke behandelingen van dermatologische kleine kwalen.

Opzet

Systematisch literatuuronderzoek.

Methode

Het literatuuronderzoek werd toegespitst op de behandeling van 42 veelvoorkomende dermatologische kleine kwalen. Het zoeken naar bewijs ging volgens de hiërarchie van wetenschappelijk bewijs: eerst werd gezocht naar ‘systematic reviews’, vervolgens naar ‘randomized controlled trials’ en daarna naar andere onderzoeksartikelen.

Resultaten

71 onderzoeken werden geïncludeerd. Voor 20 kleine kwalen werd een systematische review gevonden, voor 9 kwalen werd geen enkel onderzoek gevonden. Het bewijs voor veelgebruikte behandelingen van 26 van de 42 dermatologische kleine kwalen was niet overtuigend.

Conclusie

Voor de behandeling van de meeste dermatologische kleine kwalen is onvoldoende wetenschappelijk bewijs.

Reactie toevoegen

Reacties

Evidence kleine huidkwalen

Collega Eekhof et al. ontdekten dat er voor meer dan de helft van de therapieën voor de kleine dermatologische kwalen geen goede wetenschappelijke onderbouwing is. Hiermee vormt deze uitkomst een ondersteuning voor het onlangs in dit tijdschrift (1) gepubliceerde en vervolgens door collega Koene bekritiseerde betoog van collega Smulders et al. Zij brachten daarin naar voren dat slechts ongeveer de helft van het gebruikelijke geneeskundig handelen gebaseerd is op echte “evidence”. U heeft uw onderzoek beperkt tot de in de Nederlandse huisartsenpraktijk gebruikelijke behandelingen. In haar ingezonden brief stelt mevrouw Lonneke Alofs dat u daarmee andere behandelingen die misschien veel beter zijn, bij voorbaat hebt uitgesloten. In uw antwoord geeft u de kans op “publicatiebias” als reden op. Dit zou tot “onterecht veel aandacht voor niet of zelden toegepaste behandelingen” kunnen leiden. Dit argument overtuigt mij niet. Voor zover u daarbij denkt aan eventueel erbij te betrekken “alternatieve” behandelingen kan dit al helemaal niet waar zijn. Immers dit soort behandelingen worden in de gangbare medische literatuur eerder onder- dan overbelicht. Door u te beperken tot de in Nederland algemeen gebruikelijke behandelingen heeft u geen recht gedaan aan de hoogste norm van de evidence based gedachte namelijk dat altijd naar het “BEST beschikbare bewijs” moet worden gezocht. Kortom ik vind dat mevrouw Alofs in haar commentaar gelijk heeft. Echter het staat u natuurlijk geheel vrij om bewust de keus te maken om alleen de reeds geaccepteerde behandelingen te checken op hun wetenschappelijke waarde zonder u verder af te vragen of er misschien niet ook een betere behandeling bestaat. Ten aanzien van uw bevindingen betreffende de locale behandeling van onychomycosen deel ik de twijfel zoals beschreven in de door collega Brinks ingezonden brief. In uw verslag (tabel 2) geeft u aan dat voor een locaal toegepast imidazol een overtuigend positief bewijs bestaat. Als referentie geeft u daarbij op de Cochrane review van Crawford en Hollis(2009). Hierin wordt echter alleen onderzoek beschreven naar de locale toepassing  van het niet-imidazol ciclopiroxlamine en de niet in Nederland verkrijgbare niet-imidazolen butenafine en amorolfine. De “level of evidence” van deze middelen is overigens matig. Ik kan in het geciteerde review geen ondersteuning vinden voor de werkzaamheid van locaal toegepaste imidazolen bij onychomycosen. Overigens wordt ook in de NHG standaard “Dermatomycosen” (2008) vermeld (noot 20) dat er door de commissie geen onderzoek is gevonden naar de effectiviteit van het in ons land wel verkrijgbare miconazol als locale behandeling van onychomycosen.




Willem van der Krol, arts complementaire geneeswijze Leeuwarden


(1) Y. Smulders et al. De rol van epidemiologisch bewijs in de zorg voor individuele patiënten.  NTVG 2010;154:A1910

Dermatologische kleine kwalen

Wij danken de heer van der Knol en mevrouw Brinks voor hun reactie. Wat betreft de reactie van de heer Brinks en de eerdere reactie van mevrouw Alofs begrijpen wij dat artsen die alternatieve behandelingen een warm hart toedragen graag hadden gezien dat wij meer aandacht aan alternatieve behandelingen in onze review hadden besteed. Dat valt toch echt buiten het doel wat wij met onze review voor ogen hadden. Zoals in onze review gesteld en zoals ik ook al in mijn eerdere antwoord heb gezegd, hebben we ons onderzoek beperkt tot de in de Nederlandse huisartsenpraktijk gebruikelijke behandelingen. Onze vraagstelling was hoe het zit met de onderbouwing voor de gebruikelijke behandelingen in de Nederlandse huisartspraktijk. Daar horen alternatieve behandelingwijzen uiteraard niet bij.
Mevrouw Alofs en de heer Knol hebben het over een heel ander soort onderzoek, namelijk welke behandelingen zijn er voor deze aandoeningen (in welk tijdschrift dan ook) ooit beschreven en wat daarvan de aangetoonde effectiviteit is. Hierbij ga je op zoek naar nieuwe, mogelijk nog weinig bekende, behandelingen bij dermatologische kleine kwalen. Bij dit onderzoek heb je meer kans op publicatiebias omdat nu eenmaal onderzoek met positief resultaat meer kans heeft om gepubliceerd te worden dan onderzoek waar geen effect wordt gevonden.
Wat betreft de opmerking over de werkzaamheid van locaal imidazol bij onychomycose heeft collega Brinks gelijk. In het artikel moet onder het kopje “(overtuigend) bewijs voor/tegen de behandeling?” inderdaad nee staan. Wij hebben de versie van Cochrane review uit 2007 gebruikt, maar de conclusie over de effectiviteit van locale antimycotica bij nagelinfecties komt op hetzelfde neer.
Als er al voor therapie wordt gekozen, heeft orale behandeling de voorkeur. Dit is het geadviseerde beleid in de NHG standaard Dermatomycosen en dit is ook wat de meerderheid van de Nederlandse huisartsen doet. De positieve goed onder “eindbeoordeling van alle behandelingen voor de kwaal” blijft dan ook ongewijzigd.
 Just Eekhof

Dermatologische kleine kwalen

In onderstaande tekst staat heer Brinks, terwijl dat hr.van der Knol zou moeten zijn.
Brinks (misschien heer Brinks wel, maar Tineke Brinks in ieder geval niet) draagt de alternatieve geneeskunde helemaal geen warm hart toe. Misschien kunt u het veranderen?

Reactie ingediend op di, 15/06/2010 - 09:00 Just Eekhof
"Wat betreft de reactie van de heer Brinks en de eerdere reactie van mevrouw Alofs begrijpen wij dat artsen die alternatieve behandelingen een warm hart toedragen graag hadden gezien dat wij meer aandacht aan alternatieve behandelingen in onze review hadden besteed.``

Tineke Brinks, huisarts


Dermatologische kleine kwalen

Niet “Hr van der Knol” en ook niet “de heer Knol” maar wel “Hr van der Krol” draagt de alternatieve geneeswijze een warm hart toe, zij het selectief en onder voorwaarden. Hij geeft er echter de voorkeur aan dit onderwerp verder buiten de discussie te houden.

Willem van der Krol, arts complementaire geneeswijze te Leeuwarden (oorspronkelijk huisarts)

Verbetering kleine huidkwalen

Verbetering
In tabel 2 staat bij "rosacea" "lokaal zinksulfaat". Dat moet zijn "oraal zinksulfaat".

De redactie.

Kleine huidkwalen

Interessant artikel over de effectiviteit van de behandeling van dermatologische kleine kwalen in de huisartsenpraktijk. 
Ik was met name geinteresseerd in de lokale behandeling van onychomycose. Als de literatuur erbij gehaald wordt over lokale behandeling van onychomycose, Crawford 1999, vind ik via de Cochrane data base de ge-update versie en daarin staat het volgende:

"Evidence for the management of topical treatments for management of dermatophyte infections of the toenails was sparser and the studies are small. There was some evidence that ciclopiroxolamine and butenafine are both effective but they both needed to be applied daily for prolonged periods (at least one year)." 1

"There is little evidence that topical anti-fungals are effective in the management of onychomycosis or fungally infected toe nails. The majority of available data demonstrate low cure rates after long treatment times with ciclopiroxolamine. Amorolfine and butenafine may be much more effective than ciclopiroxolamine and tea tree oil but only a few observations are available".1

Hebben de auteurs bovenstaande geinterpreteerd als zijnde behandeling met overtuigend positief bewijs?

Tineke Brinks, huisarts, Erasmusmc

1  Crawford F, Hollis S. Topical treatments for fungal infections of the skin and nails of the foot.. Cochrane Database of Systematic Reviews 2007, Issue 3. Art. No.: CD001434. DOI: 10.1002/14651858.CD001434.pub2

Structureel uitsluiten van alternatieve behandelingsmethode

 
In NTVG 2010 154:A1535 publiceerden Eekhof et al. een systematische literatuurreview van bewijs voor de werkzaamheid van gebruikelijke behandelingen van dermatologische kleine kwalen. Hierbij werden alle “alternatieve (niet-allopatische)” behandelmethoden vooraf uitgesloten.

Dit is een vaker voorkomende wetenschappelijke attitude in literatuuronderzoek naar werkzaamheid van behandelingen. Vanuit praktisch oogpunt is wat voor deze opzet te zeggen, de review van Eekhof et al focust zich bijvoorbeeld op “gebruikelijke behandelingen”, maar vanuit een theoretisch kader van onderzoek naar evidence based medicine is dit een kwalijke zaak.

Een behandelmethode wordt namelijk als alternatief beschouwd als deze niet binnen de medische curricula onderwezen wordt. Op hun beurt streven deze medische curricula er weer naar om enkel evidence based medicine op te nemen. Als elke op enig moment als alternatief beschouwde behandelmethode voortaan structureel wordt uitgesloten in nieuw literatuuronderzoek naar bewijs voor werkzaamheid, kan deze zijn eventuele werkzaamheid nooit tonen. Daarmee zal de behandeling zijn alternatieve status nooit verliezen, ook niet als daar (inmiddels) wel voldoende bewijs voor is.

Met de WK voor de deur ligt een vergelijking met de voetbalwereld voor de hand: als de bondscoach bij het samenstellen van een nieuwe selectie enkel scout bij de spelers die de vorige keer ook al in de selectie zaten, zal er nooit nieuw talent doorbreken in het team. Elke speler die om wat voor reden dan ook niet in de originele selectie opgenomen was, maakt geen kans om ooit nog geselecteerd te worden. Ook niet als hij bij zijn club de sterren van de hemel speelt. Een dergelijke kans moeten we als het om mensenlevens gaat toch niet laten schieten.

Lonneke Alofs, co-assistent, Utrecht

dermatologische kleine kwalen

Wij danken mevrouw Alofs voor haar reactie. Wij zijn bij onze systematic review uitgegaan van de in de Nederlandse huisartspraktijk gebruikelijke behandelingen bij de dermatologische kleine kwalen. Daar horen alternatieve behandelingen niet bij. Wij zijn dus met opzet juist niet uitgegaan van al het beschikbare onderzoek dat over behandelingen bij deze dermatologische kleine kwalen is gepubliceerd. Door publicatiebias zou dit tot onterecht veel aandacht voor in de Nederlandse huisartspraktijk niet of zelden toegepaste behandelingen kunnen leiden. Dit geldt overigens voor zowel reguliere als alternatieve behandelingen.

De vergelijking met voetbal gaat overigens mank. Wij hebben voor onze systematic review niet alleen gescout onder spelers die bij de voorrondes voor het WK hebben meegepeeld. Zoals het hoort, hebben we Nederlandse spelers geselecteerd die in de Nederlandse en buitenlandse competitie regelmatig door hun trainers worden opgesteld. We hebben inderdaad niet gescout onder spelers die door hun trainer niet of zelden worden opgesteld. De kans echter dat we daarmee een nieuwe Sneijder of Robben hadden gevonden achten wij toch wel erg klein.

Just Eeekhof, huisarts