Jarenlange consequente behandeling van COPD is een zeldzaamheid in Nederland. Van de patiënten die voor het eerst beginnen met langwerkende luchtwegverwijders, al dan niet in vaste combinatie met inhalatiecorticosteroïden, is ongeveer drie kwart er na 1 jaar alweer mee gestopt of overgestapt op een andere behandeling. Slechts 6-8% haalt 3 jaar aaneengesloten gebruik van dezelfde medicatie.
Dat blijkt uit onderzoek van Fernie Penning-van Beest (PHARMO Instituut) en collega’s aan de PHARMO-database, waarin het medicijngebruik en ziekenhuisopnamen van ruim een miljoen Nederlanders zijn vastgelegd (Respir Med. 2010; doi:10.1016/j.rmed.2010.07.007). In deze database is aan de hand van medicatiegeschiedenis een COPD-cohort gedefinieerd van ruim 54.000 patiënten. Van 7548 nieuwe gebruikers van langwerkende anticholinergica (2201 patiënten), β-mimetica (1201) of combinatiepreparaten van β-mimetica en inhalatiecorticosteroïden (4146) was 3 jaar follow-up beschikbaar. Verreweg de meeste recepten waren door de huisarts uitgeschreven (71-80%). De co-morbiditeit van COPD-patiënten blijkt aanzienlijk. Meer dan de helft (60%) gebruikt naast de luchtwegverwijders medicatie van 4 of meer andere klassen.
Bij een belangrijk deel (22-40%) van de therapieveranderingen gaat het om het overzetten op andere COPD-medicatie of om het toevoegen van een tweede medicijn. Ook wanneer deze ingrepen worden meegerekend, blijkt de behandeling weinig consistent. Na 1 jaar gebruikt nog 36% van de patiënten een langwerkend COPD-medicijn, na 2 jaar 23% en na 3 jaar 17%.
Helaas is niet duidelijk uit de database of de medicatieveranderingen door de patiënt of door de arts worden geïnitieerd en wat de redenen zijn. Wel duidelijk is dat de huidige eerstelijns onderhoudsbehandeling te wensen over laat, stellen de onderzoekers. Meer onderzoek is nodig om de therapiewisselingen te verklaren en het effect ervan op de uitkomsten voor de patiënt in beeld te brengen. (Bijdrage: Esther van Osselen.)
