Negatieve schildwachtklier bij borstkankerpatiënten goede indicator voor het uitblijven van okselmetastasen
Open

Onderzoek
20-05-2002
S. Meijer, H. Torrenga en J.R.M. van der Sijp

Doel.

Het bepalen van de frequentie van okselrecidieven bij schildwachtkliernegatieve borstkankerpatiënten die geen okselklierdissectie ondergingen.

Opzet.

Follow-upstudie.

Methode.

De eerste 100 opeenvolgende schildwachtkliernegatieve patiënten die geen okselkliertoilet ondergingen en van wie follow-upgegevens beschikbaar waren over minimaal 36 maanden (mediaan: 47) werden in deze studie opgenomen. Bij alle patiënten werd de schildwachtklier opgespoord door middel van de tripeltechniek. Gedurende het eerste jaar werden de patiënten 3-maandelijks en na 1 jaar halfjaarlijks gezien.

Resultaten.

Uitgebreid pathologisch onderzoek van de schildwachtklieren bracht geen (micro)metastasen aan het licht. Bij 1 patiënte ontwikkelde zich na 24 maanden een recidief in de oksel; 3 patiënten kregen metastasen op afstand, waaraan 2 overleden. Eén patiënte kreeg een recidief in de mamma. Wat betreft de overleving bleek de schildwachtklierprocedure niet nadelig: de lymfkliernegatieve patiënten hadden een 3-jaarsoverleving van 98, terwijl deze overleving in de literatuur bij patiënten na een okselkliertoilet 88-94 bedraagt. Deze ogenschijnlijke verbetering is mogelijk te verklaren op grond van de verbeterde stagering van borstkankerpatiënten door de schildwachtklierprocedure (stadiummigratie).

Conclusie.

De tripeltechniek was een betrouwbare methode om de schildwachtklier te identificeren bij patiënten met borstkanker. Vergeleken met de literatuurgegevens over okselkliernegatieve patiënten gaven de gegevens over de schildwachtkliernegatieve patiënten een betere prognose aan. Waarschijnlijk werd dit veroorzaakt door de accuratere stagering van de oksel met de schildwachtklierprocedure.