De betekenis van een koude rilling bij patiënten met koorts op de spoedeisende-eerstehulpafdeling
Open

Onderzoek
21-01-2002
M. Hoogendoorn, J.W. van 't Wout, V. Schijf en J.T. van Dissel

Doel.

Nagaan van de samenhang tussen koude rilling, bacteriëmie, soort infectie en klinisch beloop bij patiënten met koorts op de spoedeisende-eerstehulpafdeling (SEH).

Opzet.

Prospectief, descriptief.

Methode.

Anamnestische, klinische en microbiologische gegevens werden geregistreerd van patiënten met koorts (> 38,2°C rectaal) op de SEH van het Leids Universitair Medisch Centrum en het Bronovo Ziekenhuis, in de periode 1 februari 1994-31 juli 1995 respectievelijk 1 februari 1996-31 juli 1997.

Resultaten.

Er werden 764 patiënten (424 mannen en 340 vrouwen; mediane leeftijd: 66 jaar) geïncludeerd. Een koude rilling werd door 270 patiënten (35) gerapporteerd. Bij 141 patiënten (18) werden bacteriën uit de bloedkweek geïsoleerd. Het relatieve risico (RR) voor bacteriëmie bij een koude rilling was 2,8 (95-BI: 2,1-3,8); de positief voorspellende waarde van een koude rilling voor bacteriëmie was 31 en de negatief voorspellende waarde 89. Bij 683 (89) van de 764 patiënten werd de koorts waarschijnlijk tot zeker veroorzaakt door infectie, meestal van pulmonale (319 patiënten; 42) of urogenitale (112 patiënten; 15) origine. De positief voorspellende waarde was bij patiënten met luchtweginfecties 24 en bij patiënten met urineweginfecties 48. Er overleden 62 patiënten (8) na een mediane opnameduur van 11 dagen. De overledenen waren ouder dan ontslagen patiënten (p < 0,01) en er was ook een statistisch significante samenhang van overlijden met bacteriëmie (RR: 1,1) en met ernstige comorbiditeit (RR: 6,1).

Conclusie.

Er was een sterke samenhang tussen het anamnestisch gegeven van een koude rilling en bacteriëmie, met name bij patiënten met een urineweginfectie. Ongunstige prognostische factoren waren bacteriëmie, hogere leeftijd en ernstige comorbiditeit.