Buikpijn door beklemde zenuwen

Klinische praktijk
W.F.A. den Dunnen
P.C.M. Verbeek
A.M. Karsch
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1999;143:576-8
Abstract

Samenvatting

Bij een meisje van 15 jaar met buikpijnklachten werd na onderzoek door de huisarts, de kinderarts, de gynaecoloog en uiteindelijk de chirurg de diagnose ‘rib-tipsyndroom’ gesteld. De pijn werd afdoende behandeld door middel van lokale injecties met anaesthetica en corticosteroïden. Bij het rib-tipsyndroom worden ten gevolge van hypermobiliteit van de onderste ribben de intercostale zenuwen geïrriteerd en ontstaat pijn langs de onderrand van de thorax. Met röntgendoorlichting en elektrostimulatie, elektromyografie of magnetische stimulatie kan de klacht worden geobjectiveerd.

Auteursinformatie

Flevoziekenhuis, Almere.

Afd. Chirurgie: dr.W.F.A.den Dunnen, assistent-geneeskundige (thans: Academisch Ziekenhuis, afd. Plastische, Reconstructieve en Handchirurgie, Postbus 5800, 6202 AZ Maastricht); dr.P.C.M.Verbeek, chirurg.

Afd. Anesthesiologie en Pijnbestrijding: mw.A.M.Karsch, anesthesioloog.

Contact dr.W.F.A.den Dunnen

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

Apeldoorn, april 1999,

Bij het artikel van Den Dunnen et al. (1999:576-8) willen wij een aanvulling op de diagnostische overwegingen geven aan de hand van de volgende casus.

Een 60-jarige man werd in eerste instantie gezien door de chirurg in verband met sinds drie weken bestaande buikpijn. Het was een heftige pijn die vanuit de rug naar de navel uitstraalde en aanvalsgewijs optrad. Patiënt had een normaal defecatiepatroon. Hij was bekend wegens insulineafhankelijke diabetes mellitus en hypertensie. De chirurg vond geen afwijkingen bij lichamelijk onderzoek. Een echografisch onderzoek werd afgesproken, maar toen patiënt een lichte rechtszijdige facialisverlamming kreeg, werd een neuroloog geconsulteerd. Deze constateerde een perifere N.-facialisuitval rechts en verder geen afwijkingen. Direct werd liquoranalyse verricht: 370/3 (normaal tot 15/3) cellen, voornamelijk lymfocyten, en een eiwitconcentratie van 1,1 g/l (normaal tot 0,40 g/l). Antilichamen tegen Borrelia waren zowel in liquor als in serum sterk positief. Patiënt werd behandeld met ceftriaxon 2 g 1 dd i.v. gedurende 10 dagen. Bij poliklinische controle na enkele weken was de aangezichtsverlamming volledig hersteld en ook de buikklachten waren verdwenen.

Borreliose kan een scala van neurologische afwijkingen geven; een minder frequente manifestatie is de radiculaire pijn bij de neuroborreliose die zich met name ook abdominaal kan presenteren. Patiënten herinneren zich vaak geen tekenbeet en de diagnose wordt dan ook pas gesteld indien zich andere verschijnselen voordoen, zoals de aangezichtsverlamming bij onze patiënt. Indien de diagnose wordt gesteld, is de behandeling met antibiotica intraveneus zeer effectief.

Conclusie: bij onbegrepen, neuralgische buikpijn dient ook de diagnose ‘borreliose’ overwogen te worden.

R.B. van Leeuwen
W.H. Bouma

Maastricht, april 1999,

Van Leeuwen en Bouma geven een nuttige aanvulling op de differentiaaldiagnostische overweging bij onbegrepen neuralgische buikpijn, zoals nog eens wordt verduidelijkt in de casus. Ons artikel beschreef buik(wand)pijn ten gevolge van beklemde zenuwen. Daarom werd hiervan de differentiaaldiagnose gegeven in de tabel. De differentaaldiagnose van neuralgische buikpijn dient natuurlijk te worden uitgebreid met borreliose, maar ook met andere vormen van neuritis.

W.F.A. den Dunnen